#222: What’s done is done?

De Hoge Raad is er maar druk mee: de verbeurdverklaring. In golven komen de speerpunten voorbij in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Daar waar bijvoorbeeld het medeplegen (voor nu) in een wat rustiger vaarwater is gekomen, blijkt de verbeurdverklaring nog altijd een hot issue. In onze Vaklunches hebben wij hier ook regelmatig aandacht aan besteed, bijvoorbeeld in Vaklunch #167, #194 en #210. De procespartijen blijken de door de Hoge Raad uitgezette kaders nog niet altijd in de vingers te hebben, maar ook in de recente arresten houdt de Hoge Raad voet bij stuk. Verbeurd is dus niet altijd verbeurd.

In het arrest van 23 mei jl. oordeelde de Hoge Raad (wederom) dat alhoewel in beginsel beslaglegging op grond van artikel 94 Sv is bedoeld voor de verbeurdverklaring , conservatoir beslag ex artikel 94a Sv aan een verbeurdverklaring niet in de weg staat. Het betreft een oordeel dat volgt op een middel dat is ingediend door het Openbaar Ministerie tegen de beslissing van het Hof om de vordering verbeurdverklaring af te wijzen. De Hoge Raad oordeelt onder verwijzing naar het arrest van 22 december 2015 dat de strafrechter door een beslaglegger niet in zijn sanctiemogelijkheden mag worden beperkt. Het Hof werpt dus het door het Openbaar Ministerie zelf gelegde beslag tegen bij de beoordeling van de vordering verbeurdverklaring. Er is een cassatieprocedure voor nodig geweest om dit te herstellen. De zaak is teruggewezen naar het Hof.

Overigens had het Hof – indien het doel was om het Openbaar Ministerie de pas af te snijden om het vermogen van de verdachte af te pakken – er voor kunnen kiezen de weigering van de verbeurdverklaring anders te motiveren. Bijvoorbeeld omdat het Hof deze sanctie niet passend vond. Ook hier is voor de verdediging een rol weggelegd om juist ook inhoudelijk verweer te voeren tegen een vordering tot verbeurdverklaring. Mogelijk biedt de verwijzingsprocedure op dit punt nog kansen.

In het op 7 juni 2017 gepubliceerde arrest van 30 mei 2017 verzorgde de Hoge Raad zelf de oplossing. In deze zaak – waarin de verdachte is veroordeeld voor verkoop van cocaïne – heeft het Hof verzuimd het in de strafzaak verbeurd verklaarde geldbedrag in mindering te brengen op de opgelegde betalingsverplichting in het arrest van 1 juni 2015 in de ontnemingsprocedure. Onder verwijzing naar het arrest van 17 mei 2016 doet de Hoge Raad deze zaak zelf af. In dat arrest heeft de Hoge Raad beslist dat ook via de verbeurdverklaring kan worden bereikt dat wederrechtelijk verkregen voordeel van de verdachte kan worden ontnomen. In die zin is de verbeurdverklaring geen straf, maar een met de betalingsverplichting gelijk te stellen ontneming. Verbeurdverklaring én een volledige betalingsverplichting is in dat geval dus een dubbele incassering door de overheid. Dat is niet de bedoeling.

Daarvoor is uiteraard wel van belang dat het Hof duidelijk maakt dat de verbeurdverklaring op ontneming ziet en niet als sanctie is bedoeld. Uit de gepubliceerde stukken is voor deze zaak niet duidelijk hoe het Hof de verbeurdverklaring heeft gemotiveerd. Hoe dat ook zij, deze jurisprudentie maakt duidelijk dat ook hier een rol ligt voor de verdediging om alert te zijn in het verweer en te voorkomen dat zijn cliënt door een onduidelijke verbeurdverklaring dubbel moet afdragen.

Heb je vragen over de jurisprudentie omtrent de ontnemingsvordering of de verbeurdverklaring of wil je van gedachten wisselen over het voorgaande neem dan contact met ons op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

 

Geen reacties

Plaats een reactie