#305: Wanneer mag je een officier van justitie vertrouwen?

Als burger mag je erop vertrouwen dat de woorden en de daden van de overheid overeen komen. Dit principe geldt aldus ook voor het Openbaar Ministerie. Uit een recent arrest en een recente uitspraak volgt echter dat het Openbaar Ministerie niet altijd doet wat het zegt of insinueert. Wanneer mag een burger nu vertrouwen ontlenen aan de woorden van de officier van justitie?

In de zaak die voorlag bij de Hoge Raad stond ter discussie of de verdachte er op mocht vertrouwen dat het Openbaar Ministerie de zaak tegen hem zou seponeren. In de periode voordat  een dagvaarding aan de verdachte werd uitgebracht hadden diverse gesprekken plaatsgevonden met het Openbaar Ministerie. Op 3 maart 2015 had het Openbaar Ministerie uit opportuniteitsoverwegingen een voorwaardelijk sepot aangeboden. De verdachte heeft dit aanbod niet aanvaard gelet op de mogelijke negatieve gevolgen van een dergelijk sepot op het eventueel verkrijgen van een Verklaring omtrent het gedrag (VOG). Vervolgens heeft er een gesprek plaatsgevonden en is afgesproken dat het Openbaar Ministerie de situatie een half jaar zou aankijken omdat de reclassering had laten weten dat de verdachte een goede ontwikkeling doormaakte. Na dit half jaar zou worden besloten of (naar mening van het OM: ‘’enigszins oneigenlijk’’) de zaak technisch zou worden geseponeerd gelet op de eventuele negatieve gevolgen van een voorwaardelijk beleidssepot.

Na dit half jaar besluit de officier van justitie echter niet over te gaan tot een onvoorwaardelijk technisch sepot. Hij biedt echter opnieuw een sepot onder voorwaarden aan. Dit wordt door de verdachte niet geaccepteerd en de officier van justitie gaat over tot dagvaarding. De verdachte dient vervolgens een bezwaarschrift tegen de dagvaarding in ex artikel 162 Sv en stelt zich op het standpunt dat hij erop mocht vertrouwen dat de officier van justitie de zaak technisch zou seponeren indien hij in dat half jaar goed gedrag zou vertonen. Om die reden is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Het Hof oordeelt echter dat de officier van justitie in zijn berichtgeving geen nadrukkelijke toezegging doet en de optie open houdt dat hij alsnog zal vervolgen. Gelet daarop mocht de verdachte er niet op vertrouwen dat zijn zaak zou worden geseponeerd.

Wij kunnen ons niet geheel vinden in deze uitspraak. Als een officier van justitie de mogelijkheid van een technisch sepot in het vooruitzicht stelt dan mag je op zijn minst van een officier van justitie verwachten dat hij motiveert waarom hij hier toch van afziet. Waarom was geen sprake van “een goede ontwikkeling”? Wij vragen ons bovendien af of je niet meer kwaad doet met een dergelijke vervolging dan dat het toevoegt indien een verdachte daadwerkelijk een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Helaas geniet het Openbaar Ministerie op dat gebied een grote vrijheid gelet op het opportuniteitsbeginsel. Ook de Hoge Raad laat het opportuniteitsbeginsel in deze zaak prevaleren.

In de zaak die diende bij de rechtbank Rotterdam mocht de verdachte bijvoorbeeld wel vertrouwen ontlenen aan de woorden van de officier van justitie. In aanloop van deze zitting had de officier van justitie een transactie van € 40.000,- aangeboden. De verdachte is echter niet akkoord gegaan met dit aanbod, waarna de zaak op zitting is gekomen.

Op de zitting eist de officier van justitie  24 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet echter geen redenen om een hogere straf op te leggen dan een geldboete die gelijk is aan het aanvankelijk voorgestelde transactiebedrag. In artikel 359, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering is bepaald dat een vonnis de redenen van een bepaalde straf weergeeft. De rechtbank overweegt dat de officier van justitie kennelijk aanvankelijk het transactiebedrag passend heeft geacht in de gegeven omstandigheden. Als de officier van justitie ter zitting toch een aanzienlijke hogere straf eist, namelijk een gevangenisstraf van 24 maanden, zal hij nader dienen te motiveren waarom, ondanks de eerder aangeboden transactie, een dergelijke straf passend is. Dat heeft hij niet gedaan. Bij het ontbreken van opgaaf van deze redenen conformeert de rechtbank de straf aan het transactiebedrag.

Hoewel een rechtbank in beginsel kan afwijken van de eis van de officier van justitie zijn wij het met de rechtbank eens dat het aan de officier van justitie is de hoogte van een straf te onderbouwen en een verdachte wel enig vertrouwen mag ontlenen aan het voortraject dat heeft plaatsgevonden.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je met ons van gedachten wisselen? Neem dan contact op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

1 Comment
  • Ruud van der Werff

    1 februari 2019 at 18:18 Beantwoorden

    vertrouw nooit en te nimmer een OvJ, het werkt als een old boys net work, ons kent ons

Plaats een reactie