#180: Meerdere wegen naar Rome?

Over sommige zaken wordt jarenlang geprocedeerd. Tijdverloop kan in een zaak een voordeel opleveren omdat het recht zich in de loop der tijd bijvoorbeeld ontwikkelt en/of (maatschappelijke) ideeën over een bepaalde kwestie rijpen. Het verstrijken van de tijd gaat echter ook gepaard met bepaalde nadelen. Hierbij valt met name te denken aan de onzekerheid of de spanning en frustratie die een procedure met zich meebrengt. Met name in die gevallen waarin geen discussie (meer) bestaat over de feiten, kan een snel oordeel van de Hoge Raad over een bepaalde rechtsvraag die partijen verdeeld houdt een uitkomst bieden en kan een extra procedure bij het hof worden voorkomen. Via de prejudiciële procedure is het sinds 1 juli 2012 al mogelijk voor civiele feitenrechters om een rechtsvraag voor te leggen aan de Hoge Raad. Sinds 1 januari 2016 is die rechtsvorm ook aan het fiscale recht toegevoegd. Het strafrecht is nog niet zo ver, maar daar komt wellicht op korte termijn verandering in.

Het stellen van prejudiciële vragen door feitenrechters aan de Hoge Raad is in het Nederlandse strafrecht dus niet mogelijk. Althans, nog niet. In navolging van het civiele (artt. 392 – 394 Rv) en fiscale recht (artt. 27ga t/m 27ge AWR) is in de Tweede Kamer een motie ingediend om deze procedure ook in het strafrecht in de voeren.[1] Het onderwerp staat overigens niet voor het eerst op de agenda. De commissie Hammerstein heeft de mogelijkheden en de wenselijkheid van een dergelijke procedure in het kader van het Onderzoeksproject Strafvordering 2001 al overwogen, maar afgewezen.

In het lezenswaardige eindrapport van het WODC dat in juni 2016 is gepubliceerd, wordt aandacht besteed aan de evaluatie van de Wet Prejudiciële Vragen aan de Hoge Raad. In het licht van de mogelijke invoering in het strafrecht is aan de overwegingen van de commissie Hammerstein om de invoering van de procedure af te wijzen, ook aandacht aan besteed. De redenen die daaraan ten grondslag lagen waren onder meer dat de verwevenheid van de rechtsvragen met de feiten met zich kan brengen dat in de toepassing van het antwoord op de feiten en de vaststelling van de feiten verschillen kunnen ontstaan. Daarnaast zou de prejudiciële procedure weinig opleveren indien de feitenrechter het antwoord onjuist toepast in de betreffende zaak. Dit houdt ook verband met het feit dat het antwoord van de Hoge Raad geïnterpreteerd moet worden, waardoor verschillen in uitleg en toepassing kunnen ontstaan.

Anderzijds kan de invoering van de procedure in het strafrecht ook voordelen bieden. Het tijdig verkrijgen van een antwoord op een rechtsvraag van de Hoge Raad draagt bij aan rechtseenheid. De feitenrechter kan op eigen initiatief een vraag aan de Hoge Raad voorleggen. In voorkomende gevallen wordt daarmee het zaaks overstijgende karakter van de rechtsvraag onderkend. Immers, ook andere feitenrechters beschikken daardoor in een vroeg stadium al over een deskundig advies van de Hoge Raad omtrent een bepaalde kwestie. En dat is naar onze mening voor het strafrecht, waarin veelal bijzondere belangen en rechten van individuen een rol spelen, een wenselijk voordeel. Het WODC concludeert in het eindrapport dat de procedure niet één op één uit het civiele recht kan worden overgenomen, maar zij zijn er niettemin van overtuigd dat het invoeren van de mogelijkheid om in strafzaken prejudiciële vragen te stellen, nuttig kan zijn en de eenheid van het (straf)recht kan bevorderen, alsook kan bijdragen aan zowel de rechtsvorming en de rechtsbescherming in het strafrecht als aan verbetering van de kwaliteit van de strafrechtspleging’.

In de literatuur blijft men kritisch op de eventuele invoering van deze procedure. De vraag die wordt opgeworpen is of er geen alternatieven zijn. Mr. A. de Lange benadrukte in de recente bijdrage in het Strafblad bijvoorbeeld het ‘appel in belang van de rechtspraktijk’ waarin tijdig(er) de juiste rechtsvragen in beeld worden gebracht, de argumenten voor de invoering van de prejudiciële procedure zou kunnen ondervangen.[2] Dit zou voor de verlangde snelheid voor de beantwoording van rechtsvragen kunnen zorgen. In ieder geval lijkt het doel van de invoering van de prejudiciële procedure – het verbeteren van rechtsvorming, rechtsbescherming en rechtseenheid – in alle bijdragen voorop te staan. Er leiden echter meerdere wegen naar Rome. Het is de vraag welke route de meeste voordelen heeft en de meeste succesvolle zal zijn.

Wat vind jij? Ben jij voorstander van de invoering van de prejudiciële procedure in het strafrecht? Of zijn er alternatieven om hetzelfde doel te bereiken?

[1] Kamerstukken II 2014/15, 34000 VI, 29.

[2] Mr. A. de Lange, ‘Een vlucht naar voren, vragen rond de prejudiciële vraag aan de Hoge Raad in strafzaken en hoe het anders kan’, Strafblad, 2016/27.

Geen reacties

Plaats een reactie