#234: De daad bij het woord voegen

Het is de verdachte die als laatste iets te zeggen heeft over zijn zaak. Nou ja, dat is natuurlijk eigenlijk de rechter in de uiteindelijke beslissing, maar de verdachte heeft het recht het laatste woord te voeren voordat de rechtbank of het hof over gaat tot beraadslaging. Of het laatste woord daadwerkelijk het laatste zetje kan geven in het voordeel van de verdachte zal ‘het geheim van de raadkamer’ blijven. Niettemin is het ons inziens raadzaam het laatste woord goed voor te bereiden en het in te zetten in het belang van de verdediging. Uiteraard geeft het laatste woord in veel gevallen de verdachte – tenminste het gevoel – ‘gehoord’ te worden. Hij mag dan zeggen wat hij er van vindt. Het recht op het laatste woord is geen wassen neus in het Nederlands strafprocesrecht. Er wordt steng toegezien op het bieden van gelegenheid aan de verdachte dit recht uit te oefenen.In vaklunch #233 besteedden wij ook al aandacht aan het in artikel 311, lid 4, Sv neergelegde recht van de verdachte. In de in dat artikel besproken zaak speelde de vraag of een schriftelijk laatste woord ook als laatste woord kwalificeert. De Hoge Raad doet de zaak af met artikel 81 RO. Voldoende is dat het Hof de verdachte de gelegenheid geeft zijn recht op het laatste woord uit te oefenen. In die zaak bleek uit het proces-verbaal dat het Hof de verdachte die gelegenheid had geboden. De verdachte had volstaan met het overleggen van een schriftelijke verklaring. Het is dan niet aan het Hof om de verdachte uit te nodigen om deze schriftelijke verklaring alsnog toe te lichten.

Het is anders indien het Hof de verdachte geen gelegenheid heeft gegeven om zijn recht op het laatste woord uit te oefenen. In een recente zaak was dit aan de orde. In die zaak is in cassatie geklaagd dat de verdachte in deze niet het recht is gegeven het laatst te spreken. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep inderdaad niet blijkt dat het Hof deze gelegenheid heeft geboden. De Hoge Raad is dan helder. Het moet ervoor worden gehouden dat het in artikel 311, lid 4, Sv gegeven voorschrift niet in acht is genomen. Het niet naleven van dit voorschrift brengt nietigheid met zich. Aldus wordt de Hoge Raad geen andere keus gelaten. Het cassatieberoep slaagt. Het arrest wordt vernietigd en teruggewezen om opnieuw berecht te worden.

Het loont aldus de moeite om steeds kritisch te bezien of uit het proces-verbaal blijkt dat de verdachte het laatste woord is gegund. Als dat niet het geval is levert dat een ticket op naar een succesvolle cassatieprocedure en nieuwe kansen in verwijzing.

Opgemerkt zij overigens dat de verdachte niet op iedere terechtzitting het laatste woord hoeft te krijgen. De Hoge Raad heeft in 2011 al geoordeeld dat indien de verdachte het laatste woord reeds heeft gehad en op de nadere terechtzitting geen nieuwe onderzoekshandelingen zijn verricht, behoeft hem het laatste woord niet opnieuw te worden verleend. Dit is bijvoorbeeld aan de orde in zaken waarin na het onderzoek ter terechtzitting het onderzoek op een nadere zitting gesloten wordt; een praktische oplossing voor rechtbanken en hoven om de uitspraak later dan binnen twee weken te doen. Daartegen verzet artikel 345 Sv zich niet (HR 16 november 2010).

Heb je vragen of wil je van gedachten wisselen over het voorgaande neem dan contact met ons op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

 

Geen reacties

Plaats een reactie