#165: Het una via-beginsel uitgehold

In de vakliteratuur kwamen wij een arrest tegen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aangaande het una via-beginsel dat onze wenkbrauwen enigszins heeft doen fronzen. Het una via-beginsel bepaalt dat de mogelijkheid om een boete op te leggen vervalt wanneer de belasting- of inhoudingsplichtige vanwege hetzelfde feit strafrechtelijk wordt vervolgd. De wettelijke grondslag hiervoor is terug te vinden in artikel 5:44 lid 1 van de Awb. Voor de omgekeerde situatie geldt eveneens dat bevoegdheid voor het instellen van strafvervolging vervalt als reeds een bestuurlijke boete is opgelegd (ex artikel 243, lid 2, Sv). Wij vragen ons af of het gerechtshof in voornoemd arrest op juiste gronden het una via-beginsel ter zijde heeft geschoven.

In voornoemd arrest bestond een verdenking van het opzettelijk onjuist indienen van de belastingaangiften inkomstenbelasting over de jaren 2007 en 2008 in de periode tot 1 juli 2009 omdat ten onrechte melding gemaakt zou zijn van aftrekbare rente- en zorgkosten. Ten aanzien van beide jaren had de inspecteur eveneens een grove schuld boete opgelegd met betrekking tot de fiscaal aftrekbare partneralimentatie in de aangiften over dezelfde jaren. Het Hof oordeelde dat de inspecteur in het onderhavige geval de vergrijpboetes over de jaren 2007 en 2008 niet had opgelegd wegens het met opzet doen van onjuiste aangiften, maar wegens het met grove schuld onjuist doen van die aangiften. In zoverre is de aard van het verwijt een heel andere, aldus het Hof. Het Hof overweegt verder dat doordat de inspecteur grove schuld als basis voor de boeten hanteerde, hij geen keus heeft gemaakt noch had hoeven maken tussen bestuursrechtelijke afdoening en strafrechtelijke afdoening zoals dat het geval is bij de opzetvariant.

Kijkend naar de (toen geldende) wet zien we dat een grove schuld boete als vergrijpboete kon worden opgelegd voor een aanslagbelasting indien conform artikel 67e Sv het aan de belastingplichtige was te wijten dat te weinig belasting was geheven. Een grove schuld boete voor het doen van een onjuiste aangifte bestond niet in de AWR. Op grond van artikel 67d AWR kan en kon enkel een opzet boete worden opgelegd. Wellicht dat het Hof op het onderscheid tussen artikel 67d en 67e AWR doelt, maar dit is gissen. In het arrest van het Hof staat dat het verwijt van het onjuist doen van belastingaangiften een andere aard heeft indien de boete is gebaseerd op andere schuldvormen. Dit oordeel lijkt ons onjuist. Daarbij komt dat met de inwerkingtreding van de vierde tranche Awb de bepalingen van het una via beginsel is overgeheveld naar de Awb en is vervat in artikel 5:44 Awb en artikel 243 lid 2 Sv. Deze overheveling heeft tevens een uitbreiding van de rechtsbescherming teweeg gebracht.  Waar de oude wettelijke bepalingen slechts zagen op de samenloop van vergrijpboetes met de strafrechtelijke vervolging, vallen verzuimboetes nu ook onder het bereik van de nieuwe bepaling. Het is dus niet aannemelijk dat de wetgever een verschil in aard ziet tussen schuldvormen. Nu het legaliteitsbeginsel bepaalt dat de meest gunstige strafvorderlijke bepaling moet worden gehanteerd kan het Hof na de wetswijziging zeker geen onderscheid maken tussen schuld en opzetboetes.

Het volgende element dat het Hof aangrijpt om het una via-beginsel ter zijde te schuiven is door te oordelen dat geen sprake is van dezelfde feiten omdat de boetes op verschillende onderdelen uit de aangiften zien; het een op zorgkosten en de ander op partneralimentatie.  Hoewel de belastingkamer van de Hoge Raad reeds eerder heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat indien één boete wordt opgelegd in verband met belastingverplichtingen over één en hetzelfde tijdvak rechtvaardigt dat niet steeds dat sprake is van herhaalde beboeting wegens hetzelfde feit. Dat verschillende boetes worden opgelegd wegens overtreding van dezelfde wettelijke norm is niet doorslaggevend. Wat is dan wel doorslaggevend?

In het ‘standaardarrest’ van de Hoge Raad aangaande hetzelfde feit heeft de Hoge Raad bepaald dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van hetzelfde feit moet worden gekeken naar het juridische component en het feitelijke component. Voor de invulling van de juridische elementen dient in het bijzonder  te worden gekeken naar de bescherming van de rechtsgoederen waartoe de delictsomschrijving strekt en naar de aard van het delict (waarvoor de strafmaxima goede indicatoren kunnen zijn). Wat betreft de feitelijke component dient te worden gekeken naar de aard en kennelijke strekking van de gedraging. Voorts moet rekening worden gehouden met de tijd, plaats en omstandigheden waaronder zij zijn verricht. In het onderhavige geval zal weinig discussie bestaan over het feit dat de juridische component hetzelfde is, te weten het doen van onjuiste belastingaangiften. Dan resteert de vraag of de handeling een en dezelfde is. Nu de strafbaar gestelde handeling het onjuist indienen van een belastingaangifte is en deze handeling op een en hetzelfde moment plaatsvindt menen wij dat geen onderscheid kan worden gemaakt tussen de daarin opgenomen onderdelen. Wij menen dus dat het Hof het  una via-beginsel ten onrechte ter zijde heeft geschoven.

Denk jij dat dit arrest bij de Hoge Raad stand houdt?

Geen reacties

Plaats een reactie