#051: “Gevangenisstraf alleen is niet genoeg..”

“Beroepscriminelen” en “corrupte bedrijven” moeten volgens procureur-generaal Marc van Nimwegen harder worden aangepakt. Hij stelt in een interview met de Volkskrant van 3 februari 2014 dat hij met enige regelmaat ziet dat een “beroepscrimineel” vanuit de gevangenis zijn criminele bedrijf kan voortzetten. Van Nimwegen meent dat in dit soort zaken de veroordeelden financieel harder moeten worden aangepakt, een gevangenisstraf alleen is niet genoeg. Van Nimwegen kondigt aan dat het Openbaar Ministerie vaker hogere boetes zal eisen. Van Nimwegen vindt dat rechters die lijn van het opleggen van hogere boetes zouden moeten volgen. Maar waarom? Straftoemeting is toch maatwerk?

Het betoog van Van Nimwegen roept de nodige vragen op. Wanneer is iemand een beroepscrimineel? Aan welke criteria moet een verdachte voldoen om onder een dergelijke definitie te vallen? Is dat als iemand eerder met justitie in aanraking is gekomen? Of is dat het geval indien iemand ‘de schijn tegen heeft’? En hoe zit dat met corrupte bedrijven? Is ieder bedrijf dat met justitie in aanraking is geweest aan te merken als corrupt? Of zullen vermoedens daarin (ook) een rol spelen? Het ligt in de lijn der verwachting dat de nodige richtlijnen worden of zijn ontwikkeld om handen en voeten te geven aan dit beleid van het Openbaar Ministerie. Aan de hand van een eenvoudige checklist zal dan bepaald kunnen worden in welke hokje de verdachte thuis hoort. De te eisen straf of boete is dan gemakkelijk te bepalen. Maar geldt dan hetzelfde voor het daaraan te verbinden oordeel door de rechter?

Wij schreven al eerder over de oriëntatiepunten voor straftoemeting in fraudezaken. Deze oriëntatiepunten zijn in 2011 vastgesteld door de fraudekamers van de Hoven. Aan de hand van strafvermeerderende en strafverminderende omstandigheden wordt met het benadelingsbedrag als uitgangspunt een straf ‘toegemeten’. Echter het feit dat de geïndiceerde straf in de oriëntatiepunten niet is gekoppeld aan het gehele delict, maar ‘slechts’ aan het benadelingsbedrag, maakt dat de oriëntatiepunten onevenwichtigheid tot gevolg kunnen hebben. Dit komt het te leveren maatwerk als het gaat om straftoemeting ten aanzien van de individuele verdachte niet ten goede.

Oriëntatiepunten en richtlijnen kunnen de verdachte een indicatie geven van wat hem mogelijk te wachten staat. Echter, alle bijzondere omstandigheden van het geval kunnen niet in richtlijnen worden verdisconteerd. Het “klakkeloos” volgen door de rechter van hogere strafeisen van het Openbaar Ministerie riekt naar willekeur. Het is aan de rechter om maatwerk te leveren. Alle bijzondere aspecten van het individuele geval dienen mee- en afgewogen te worden. In ons rechtssysteem zou het volgen van een hogere strafeis – zonder gedegen afweging – niet mogelijk moeten kunnen zijn. De NVvR stelde in 2012 ten aanzien van een andere aangelegenheid dat het een illusie is te menen dat een rechtvaardige bestraffing voor alle gevallen kan worden ‘voorgeprogrammeerd’, daarvoor is de werkelijkheid te verscheiden. De nadruk dient te liggen op maatwerk en juist niet op een streven naar standaardisering. En gelukkig maar!

Eén ding is in ieder geval duidelijk, strafrechtelijk Nederland kan zich opmaken voor hogere boete eisen. Ons inziens is het aan het Openbaar Ministerie om de rechter te overtuigen van de noodzaak tot het opleggen van die hogere boetes. Net zo goed als het aan de verdediging van de verdachte is de rechter te informeren over alle bijzondere omstandigheden van die betreffende zaak en de rechter daarmee te prikkelen maatwerk te leveren.

Wat is jouw ervaring? Past het Openbaar Ministerie het door Van Nimwegen voorgestane beleid reeds toe? En hoe oordeelde de rechter in die gevallen?

Geen reacties

Plaats een reactie