#181: Declareren en de gevolgen voor de omzetbelasting

De meeste strafrechtadvocaten lopen het liefst met een grote boog om het belastingrecht heen. De fiscale jurisprudentie zal gewoonlijk geen vaste prik zijn bij het lezen van de wekelijkse vakliteratuur. Het fiscale recht maakt naast het strafrecht wel onderdeel uit van onze dagelijkse praktijk en daarom stuitten wij in de vakliteratuur op een uitspraak van de fiscale rechter die ons inziens van belang is voor elke strafrechtadvocaat. De reden daarvan is dat deze uitspaak verband houdt met de fiscale gevolgen van een declaratie van een advocaat in een strafzaak.

In de uitspraak van Rechtbank Gelderland was in een fiscale kwestie de vraag aan de orde of een vennootschap recht heeft op aftrek van voorbelasting op advocaatkosten ter zake van een strafzaak tegen haar directeur. De directeur van deze vennootschap was verdachte in een strafzaak aangaande faillissementsfraude, gepleegd met behulp van een andere vennootschap. De verdachte directeur is uiteindelijk vrijgesproken door de strafrechter. De facturen aangaande de rechtsbijstand voor deze strafzaak zijn gestuurd naar de vennootschap die de facturen op haar beurt heeft voldaan. Daarnaast heeft de vennootschap de omzetbelasting in vooraftrek genomen.

Uit de omschrijving op de factuur blijkt in deze casus niet wie de afnemer is van de prestatie (de juridische bijstand). Enkel blijkt uit de factuur dat de prestaties zien op de rechtsbijstand voor de strafzaak van de directeur. Voor de vraag of de vennootschap kan worden aangemerkt als de afnemer van de diensten in de strafzaak alsmede voor de vraag wie daarvoor de bewijslast draagt, verwijst de rechtbank naar een arrest van de Hoge Raad van 2 december 2011. Hierin is overwogen:

“Artikel 35 van de Wet (Omzetbelasting) verplicht de ondernemer een factuur uit te reiken dan wel te doen uitreiken ter zake van zijn leveringen of diensten die hij heeft verricht aan een andere ondernemer of aan een rechtspersoon, andere dan ondernemer. Op de factuur moet hij onder meer de naam van de ‘afnemer’ vermelden. Onder ‘afnemer’ moet worden verstaan degene met wie de ondernemer een rechtsbetrekking is aangegaan ingevolge welke de ondernemer de levering verricht of de dienst verleent (vgl. HR 25 maart 1998, nr. 33096, LJN AA2468, BNB 1998/181, en HR 8 oktober 2004, nr. 38482, LJN AO3176, BNB 2005/6).”

Verder is van belang conform artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet Omzetbelasting dat de vennootschap de omzetbelasting enkel in aftrek kan brengen voor zover de goederen en de diensten – in dit geval de rechtsbijstand – door de ondernemer worden gedragen in het kader van zijn onderneming en dus een zakelijk motief hebben ondanks dat de rechtsbijstand voor een ander was bedoeld.

Betoogd kan worden in een dergelijke situatie dat er wel degelijk een zakelijk motief is waarom de vennootschap de kosten draagt voor de advocaatkosten van haar directeur. Zeker als de directeur de enige is die de vennootschap kan vertegenwoordigen. De strafrechtelijke vervolging van een directeur kan immers schadelijk zijn voor het imago en de bedrijfsactiviteiten van een vennootschap. Een vennootschap kan dus een eigen belang hebben om onder omstandigheden te fungeren als afnemer van de prestatie.

De rechtbank oordeelt echter in de onderhavige zaak dat niet is voldaan aan de voorwaarden die door de Hoge Raad zijn gesteld voor de toepassing van de in dit arrest geformuleerde bewijsregel. Op de facturen die de advocaat aan de vennootschap heeft gestuurd, staat de vennootschap immers niet vermeld als “degene aan wie de in de factuur vermelde levering of dienst is verricht”. Op de betreffende facturen staat enkel als omschrijving de vermelding “ [naam directeur] /OM”. De enkele omstandigheid dat de vennootschap de facturen moest betalen is volgens de rechtbank onvoldoende om, behoudens tegenbewijs, aan te nemen dat de vennootschap de afnemer was van de gefactureerde werkzaamheden. Dit wordt niet anders als de advocaatkosten door de vennootschap zijn betaald uit de winst van de onderneming waardoor deze kosten zijn doorbelast in de prestaties van vennootschap aan haar klanten, zoals zij heeft gesteld.

Kortom, blijkens deze uitspraak moet duidelijk worden omschreven op de factuur en de overeenkomst van opdracht wie de afnemer is van de prestatie. Temeer als dit een rechtspersoon is die niet de verdachte is.

Voldoet jouw declaratie en overeenkomst van opdracht aan voornoemde voorwaarden?

Geen reacties

Plaats een reactie