#231: De gevolgen van de inkeerregeling voor derden

In Vaklunch #161 besteedden wij aandacht aan een arrest van de Hoge Raad van 5 april 2016 aangaande de relatie tussen de inkeerregeling en witwassen. De Hoge Raad oordeelde dat de algemene beginselen van behoorlijke procesorde met zich mee kunnen brengen dat indien vervolging voor het fiscale misdrijf vanwege een geldige inkeermelding is uitgesloten, ook geen vervolging voor witwassen kan plaatsvinden. Wegens een motiveringsgebrek casseert de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden spreekt zich nu opnieuw uit in deze zaak.

In deze zaak heeft de tante van de verdachte een geldbedrag aan zijn moeder geschonken. Het ging om geld dat niet was aangegeven bij de Belastingdienst en de verdachte wist dat. De verdachte is niettemin met zijn moeder afgereisd naar Luxemburg. Hij heeft het geldbedrag daar contant opgenomen en dit bedrag vervolgens aan zijn moeder overhandigd. Zijn moeder heeft vervolgens contact opgenomen met de Belastingdienst en melding gemaakt van het vermogen. Met een beroep op de inkeerregeling is alsnog belasting afgedragen. Deze inkeer kwam de verdachte echter duur te staan. Hij wordt zelf alsnog vervolgd voor witwassen.

Het gerechtshof oordeelde in eerste instantie dat de verdachte ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen niet zelf belastingplichtig was, waardoor de inkeerregeling niet op hem van toepassing was. De Hoge Raad oordeelde dat gelet op de wet en geldende jurisprudentie het onder bepaalde bijzondere omstandigheden mogelijk is dat ook een ander dan de schuldige aan een fiscaal delict een beroep op de inkeerregeling toekomt. Te denken is aan de persoon, niet belastingplichtige, die heeft bevorderd dat de belastingplichtige alsnog de juiste aangifte en afdracht doet aan de Belastingdienst. Voorts kunnen onder bijzondere omstandigheden beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat, indien vervolging van het fiscale misdrijf op grond van artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is uitgesloten, niet alsnog ter zake van het desbetreffende feitencomplex een op overtreding van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht toegespitste strafvervolging wordt ingesteld.

Het gerechtshof neemt nu deze maatstaf in ogenschouw. Ten eerste oordeelt het hof dat aan de moeder van de verdachte geen beroep op de inkeerregeling van artikel 69, derde lid, AWR toekomt. De Belastingdienst was volgens het hof al op de hoogte van de schenking voordat openheid van zaken werd gegeven. Dit heeft volgens het hof tot gevolg dat de verdachte evenmin een beroep op de inkeerregeling toekomt als ‘afgeleid spijtoptant’. Daarbij overweegt het hof dat de verdachte geenszins de inkeer heeft bevorderd zoals bedoeld door de Hoge Raad. Om die redenen kan de verdachte aldus geen beroep doen op de inkeerregeling.

Derhalve kan de vraag of in het kader van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur met zich mee kan brengen dat indien vervolging voor het fiscale misdrijf vanwege een geldige inkeermelding is uitgesloten, ook geen vervolging voor witwassen kan plaatsvinden onbeantwoord blijven. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur.

Heb je vragen of wil je van gedachten wisselen over het voorgaande neem dan contact met ons op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie