#030: De advocaat als rund en de rechter die het vlees keurt

In het Advocatenblad van september 2013 stond een pakkend artikel over het verschil tussen advocaten en het Openbaar Ministerie: ‘De advocaat als rund’. Dit artikel laat zien dat de rechterlijke macht ‘de hand boven het hoofd’ van het Openbaar Ministerie houdt ten aanzien van beledigende uitlatingen over de verdachte. De advocaat wordt daarentegen ‘gestraft’ indien kritiek wordt geuit op de rechterlijke macht. Er wordt aldus met twee maten gemeten. Maar had het Hof de advocaat op deze gronden de mond mogen snoeren en naar de publieke tribune sturen onder het mom van ‘orde op de terechtzitting’? Of had de rechtbank bijvoorbeeld een tuchtrechtelijke klacht moeten indienen tegen de betreffende advocaat?

Advocaten leveren in het belang van hun cliënt vaak (felle) kritiek op de werkwijze van justitiële instanties en de rechterlijke macht. In de tuchtrechtspraak wordt echter het centrale criterium gehanteerd dat de advocaat grote vrijheid dient toe te komen bij de verdediging van zijn cliënt. Een advocaat heeft de verantwoordelijkheid een beargumenteerde afweging van belangen te maken. Dit betekent overigens geenszins dat deze vrijheid absoluut is. Een advocaat mag een rechter niet misleiden of derden beschuldigen van gedrag dat niet met feiten kan worden onderbouwd. Echter, een advocaat mag wel feiten naar voren brengen die voor derden kwetsend zijn , indien dit in het belang is van zijn cliënt.[1]

De vraag is aldus of de zinsnede “Veeleer lijkt er sprake te zijn van een kritiekloze volgzaamheid ten aanzien van de Hoge Raad, alsook van een gebrek aan zedelijke moed om de rechtsorde te verdedigen tegenover de schaamteloze serviliteit van de Hoge Raad ten opzichte van een misdadige politieke leiding, die vasthoudt aan de nucleaire systeemmisdaad” of de zinsnede “manifesteert de Hoge Raad zich als serviele en gewetenloze lakei van de politieke leiding van ons land” in het belang van zijn cliënt waren. Immers in dat geval mag de advocaat dergelijke opmerkingen wel degelijk maken. Nog daar gelaten of dezeüberhaupt kwetsend zijn.

Overigens mag een voorzitter op basis van de artikelen 124 en 272 Sv maatregelen treffen teneinde de orde op terechtzitting te handhaven; daartoe kan behoren het ontnemen van het woord aan een luidruchtige verdachte of aan een raadsman die zich tijdens zijn pleidooi herhaaldelijk bedient van strafbare uitlatingen jegens de rechterlijke macht, aldus de Advocaat-Generaal bij het betreffende arrest. De vraag is dus tevens of dergelijke uitlatingen van een advocaat als strafbaar zijn aan te merken en derhalve reden hadden mogen zijn om een advocaat het woord te ontnemen.

Het Hof heeft zich in bovenstaande zaak dus een belangrijk machtsmiddel toegeëigend door de advocaat de mond te snoeren en naar de publieke tribune te sturen. Dit terwijl men zich kan afvragen of dergelijke uitingen strafbaar zijn, aangezien het tuchtrecht van de advocaat stelt dat een advocaat grote vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen en mogelijk kwetsende opmerkingen te maken. Had de rechter niet gewoon een tuchtrechtelijke klacht moeten indienen zoals ook de mogelijkheid bestaat voor een advocaat om een klacht over een rechter in te dienen? Bij de deken kan immers een klacht worden ingediend door de cliënt, door een officier van justitie, door een rechter of zelfs door een derde, zolang de klager maar een eigen belang heeft bij de klacht.[2]

Of had de advocaat naar aanleiding van de ‘bestraffing’ door de rechter juist  grond om te wraken? Immers indien feiten of omstandigheden zich voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden is dit grond voor wraking. De meest frequent aangevoerde reden om te wraken, is de wijze waarop een rechter de zaak en/of partij behandelt. Als de rechter in plaats van een klacht in te dienen, op de stoel van de tuchtrechter gaat zitten, is dit dan een wrakingsgrond? Mag de rechter zich op die manier bemoeien met de invulling van de verdediging? Voorstelbaar is dat de ‘afstraffing’ van de advocaat die bepaalde uitlatingen doet, onder omstandigheden – tenminste – de schijn van partijdigheid kan wekken.

Wij zijn benieuwd naar jullie ervaringen met de wijze waarop een rechter omgaat met vergaande kritiek geuit in het belang van je cliënt. En  in het geval de rechter dergelijke uitlatingen ‘afstraft’, heeft het dat zin om in die situatie te wraken?


[1] Zie het boek van Taru Spronken, ‘Verdediging’, pagina 585 en 586, voetnoot 317 en 318. 

[2] mr. M.F. Attinger, Handboek strafzaken, 2.4 tuchtrecht algemeen.


Geen reacties

Plaats een reactie