#037: Compleet beslagen, maar waarom?

Artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat een verdachte recht heeft op stukken in het voorbereidend onderzoek. In ieder geval vanaf het eerste verhoor na aanhouding. Het Openbaar Ministerie zet (hierdoor) regelmatig zware opsporingshandelingen in zonder dat de verdachte wordt gehoord. Op deze manier probeert het Openbaar Ministerie de verdachte wellicht de gevolgen van het opsporingsonderzoek te laten voelen, terwijl hij in het duister tast over de reden hiervan. De vraag is echter of het Openbaar Ministerie deze vrijheid moet en mag worden gegund.

Met de invoering van de nieuwe wettelijke bepalingen sinds 1 januari 2013 zijn de mogelijkheden ten aanzien van het onthouden, niet verstrekken en geheimhouden van processtukken gewijzigd. De verdachte kan eerst tijdens het voorbereidend onderzoek het Openbaar Ministerie verzoeken kennis te nemen van alle processtukken. De processtukken worden op zijn verzoek verleend, aldus de wettekst. Op basis van artikel 30, lid 4, Sv kan de verdachte een bezwaarschrift indienen bij de rechter-commissaris, indien de kennisneming van processtukken hem wordt onthouden.

In de oude jurisprudentie van de raadkamer met betrekking tot het onthouden van processtukken ontstond het recht op processtukken op het moment dat sprake was van een criminal charge. In de nieuwe artikelen 30 e.v. van het Wetboek van Strafvordering staat echter dat de verdachte recht heeft op stukken in het voorbereidend onderzoek. Hiermee lijkt het moment waarop de verdachte recht heeft op stukken sinds de nieuwe wetgeving het moment te zijn dat de verdachte verzoekt om stukken tijdens het voorbereidend onderzoek. Uiteraard met de mogelijkheid voor de officier van justitie om stukken te onthouden, indien het belang van het onderzoek dit vordert. Een dergelijk vergaand recht op stukken blijkt echter schijn.

De minister heeft al in de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel aangegeven dat hij het moment waarop het recht op stukken ontstaat wil behouden, aldus het moment van de criminal charge. Verschillende uitspraken in onze praktijk, die niet zijn gepubliceerd, laten zien dat ook de rechter-commissaris uit gaat van het moment van de criminal charge. In zoverre is er weinig veranderd met betrekking tot de procedures bij de raadkamer. De vraag is echter of de rechter-commissaris zich niet te gemakkelijk laat verleiden om het bezwaar niet ontvankelijk te verklaren puur op basis van het feit dat er nog geen criminal charge zou zijn. Dit moment ontstaat immers volgens de rechter-commissaris op het moment dat door de overheid jegens een persoon handelingen zijn verricht waaruit die persoon naar objectieve maatstaven in redelijkheid kan afleiden dat strafvervolging tegen hem zal worden ingesteld.

Een ‘charge’ wordt in de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de mens in beginsel omschreven als een melding van een bevoegde autoriteit aan een persoon van de beschuldiging dat hij een strafbaar feit heeft begaan. Echter, als de genomen maatregelen een dusdanig grote invloed hebben op de verdachte, als ware sprake zou zijn van een dagvaarding of een andere vervolgingsbeslissing, dan is tevens sprake van een ‘criminal charge’.

Het begrip ‘criminal charge’ is dus een subjectief begrip. Elke zaak dient naar die specifieke omstandigheden te worden beoordeeld. De jurisprudentie van het EHRM met betrekking tot de vraag of een zaak behandeld is binnen een redelijke termijn geeft met name invulling aan het moment waarop een ‘charge’ aanvangt. Zo zijn er verschillende voorbeelden te noemen waarin het moment van een doorzoeking wel degelijk het markeringspunt was van de aanvang van de ‘criminal charge’.

Kortom, op grond van de Europese jurisprudentie dient de rechter-commissaris ook in ogenschouw te nemen of de opsporingsmaatregelen de verdachte wezenlijk beïnvloeden.

In grote fraudezaken legt het Openbaar Ministerie veelal beslag op alle bankrekeningen van de betrokken ondernemingen en privé personen. Vervolgens wordt met veel bombarie alle administratie in beslag genomen, waardoor de pers lucht krijgt van het strafrechtelijk onderzoek en de eerste complot theorieën in de krant verschijnen. Niet is vol te houden dat de verdachte dan niet wezenlijk wordt beïnvloed door het strafrechtelijk onderzoek. Op basis van de Europese jurisprudentie is ook dan sprake van een criminal charge en heeft de verdachte dus recht op stukken. Met de komst van de nieuwe wetgeving en de komst van de rechter-commissaris als toezichthoudend orgaan in het opsporingsonderzoek, was de komst van een juiste hantering van het begrip criminal charge een mooi moment geweest. Helaas, de rechter-commissaris lijkt vooralsnog de verdachte niet de rechtsbescherming te geven die hij verdient.

Heb jij al positieve uitspraken van de rechter-commissaris waarbij de verdachte in een vroeg stadium van het onderzoek toegang tot de processtukken wordt verleend?

Geen reacties

Plaats een reactie