#180: Meerdere wegen naar Rome?

Over sommige zaken wordt jarenlang geprocedeerd. Tijdverloop kan in een zaak een voordeel opleveren omdat het recht zich in de loop der tijd bijvoorbeeld ontwikkelt en/of (maatschappelijke) ideeën over een bepaalde kwestie rijpen. Het verstrijken van de tijd gaat echter ook gepaard met bepaalde nadelen. Hierbij valt met name te denken aan de onzekerheid of de spanning en frustratie die een procedure met zich meebrengt. Met name in die gevallen waarin geen discussie (meer) bestaat over de feiten, kan een snel oordeel van de Hoge Raad over een bepaalde rechtsvraag die partijen verdeeld houdt een uitkomst bieden en kan een extra procedure bij het hof worden voorkomen. Via de prejudiciële procedure is het sinds 1 juli 2012 al mogelijk voor civiele feitenrechters om een rechtsvraag voor te leggen aan de Hoge Raad. Sinds 1 januari 2016 is die rechtsvorm ook aan het fiscale recht toegevoegd. Het strafrecht is nog niet zo ver, maar daar komt wellicht op korte termijn verandering in.Lees verder

#178: If it looks like a duck…

Al meerdere malen hebben wij aandacht besteed aan de specialis van artikel 69, lid 4, AWR. Zo ook vrij recent in #171 waarin wij het arrest van 1 juni 2016 van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aan de orde stelden. Een voorbeeld waaruit blijkt dat de specialis-regeling in de praktijk nog wel eens over het hoofd wordt gezien door het Openbaar Ministerie en de verdediging daar dus zijn voordeel mee kan doen.Lees verder

#176: Daar mag een voorbeeld aan genomen worden

In de artikelen #014, #051, #071 en #131 besteedden wij al aandacht aan het onderwerp straftoemeting. Steeds komen wij terug op hetzelfde cruciale punt: straftoemeting is maatwerk. Dat geldt uiteraard voor het commune strafrecht, maar ook voor het fiscale strafrecht en het (fiscale) boeterecht. Voor straffen geldt dat deze niet in het algemeen zijn te bepalen. Binnen de bandbreedte van de maximale wettelijke strafbaarstelling dient de rechter te bepalen welke straf passend is voor de betreffende verdachte. Daarbij dienen alle feiten en omstandigheden te worden meegewogen zodat de straf het doel – vergelding en preventie – dient. De LOVS oriëntatiepunten bieden procespartijen houvast als het aankomt op straftoemeting, bijvoorbeeld in fraudezaken. De hoogte van de straf is afgezet tegen het financiële nadeel dat is geleden. Aan de hand van verschillende factoren wordt de straf hoger of lager. In het fiscale boeterecht wordt een handreiking gedaan door het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Maar hoe gaan rechters hier mee om?Lees verder

#171: Commuun versus fiscaal

De verhouding tussen het fiscale strafrecht en het commune strafrecht is niet altijd even duidelijk. Dit terwijl in de wet een ‘duidelijk’ onderscheid wordt gemaakt. Zo bepaalt artikel 69, lid 4, Sv dat als sprake is van een fiscaal delict als bedoeld in artikel 69, lid 1 en 2, AWR, de verdachte niet (ook) mag worden vervolgd voor valsheid in geschrifte als bedoeld in artikel 225, lid 2, Sr. Aan deze bepaling besteedden wij reeds aandacht op vaklunch.nl in #119 en #135. Een recent arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vestigt opnieuw de aandacht op de interpretatie van deze vervolgingsuitsluitingsgrond.Lees verder

#161: De Schijnzekerheid van de inkeerregeling

De relatie tussen inkeren en witwassen blijft een terugkerend onderwerp. Met name vanaf het moment dat de Hoge Raad op 7 oktober 2008 heeft geoordeeld dat een fiscaal delict als gronddelict voor witwassen kan dienen, houdt de relatie tussen deze twee onderwerpen de gemoederen bezig. Een recent arrest van 5 april jl. van de Hoge Raad bevestigt dit nog eens. Wanneer sluit een rechtmatig gebruik van de inkeerregeling vervolging van witwassen uit?Lees verder

#158: Prijsschieten voor het Openbaar Ministerie

Het wetboek van strafrecht bevat een veelheid aan bepalingen die een groot aantal verschillende gedragingen strafbaar stelt. Als deze strafbaarstellingen goed worden bekeken, wordt al snel duidelijk dat meerdere strafbaarstellingen van toepassing kunnen zijn op bepaalde gedragingen. Zo worden bepaalde gedragingen strafbaar gesteld door een algemene strafbepaling als ook door een specialis daarvan. Bijvoorbeeld het plegen van valsheid in geschrift (ex artikel 225 Sr) is een strafbaarstelling waar vele gedragingen onder kunnen vallen. Toch is deze algemene kapstok geen garantie voor succes.

Een duidelijk voorbeeld waarin het Openbaar Ministerie wordt gedwongen om de tenlastelegging op te stellen met een enkel schot in de roos in plaats van dat het kan prijsschieten middels een kapstokbepaling, is artikel 69 AWR. In het fiscale strafrecht is expliciet bepaald dat het gebruik maken van een vals geschrift in de zin van artikel 225, lid 2, Sr niet ten laste kan worden gelegd indien de gedraging het opzettelijk doen van een onjuiste belastingaangifte inhoudt (zie daartoe artikel 69, lid 4, Algemene wet inzake Rijksbelastingen). Maar de verplichting om een specialis artikel ten laste te leggen in een bepaalde situatie hoeft niet expliciet in de wet te zijn vastgelegd. Artikel 55, lid 2, Sr bepaalt dat indien voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat, enkel kan worden vervolgd voor deze bijzondere strafbepaling. De onderlinge rangorde van strafbepalingen impliceert dan dat de werking van de algemene strafbepaling – de ‘generalis’ – door de bijzondere – de ‘specialis’ – wordt uitgesloten.

Toch doet het Openbaar Ministerie nog wel eens een poging tot prijsschieten. Daar neemt Rechtbank Limburg geen genoegen mee en ontsloeg een verdachte onlangs van alle rechtsvervolging omdat het Openbaar Ministerie ten onrechte de algemene strafbepaling van valsheid in geschrift ten laste had gelegd. De betrokkene in deze zaak werd ervan verdacht een vals of vervalst Kroatisch rijbewijs voor handen te hebben gehad. De politierechter heeft het tenlastegelegde bewezen verklaard onder meer op basis van een bekennende verklaring van de verdachte. Niettemin heeft de politierechter zelf de vraag opgeworpen of de officier van justitie het juiste misdrijf ten laste heeft gelegd. Kan het Openbaar Ministerie in dit geval volstaan met artikel 225, lid 2, Sr of moet artikel 231, lid 2, Sr ten laste worden gelegd. In het laatste artikel wordt namelijk specifiek het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs strafbaar gesteld.

Hoewel artikel 231 Sr niet expliciet bepaalt dat sprake is van een specialis verhouding ten opzichte van artikel 225 Sr heeft de politierechter geoordeeld dat daarvan toch sprake is. De politierechter bestempeld artikel 231, lid 2, Sr zelfs als een ‘logische specialis’ van artikel 225 Sr, zie daartoe ook het arrest van de Hoge Raad van 23 februari 1982. De politierechter verwijst naar de wetsgeschiedenis. In de memorie van toelichting valt onder meer het volgende te lezen: ‘Nu als gevolg van dit wetsvoorstel artikel 231 Sr alle delictsbestanddelen van artikel 225 Sr zal bevatten plus een aantal extra bestanddelen die toegesneden zijn op vervalsing van reisdocumenten, erkende identiteitsbewijzen en andere identiteitsbewijzen die afgegeven zijn door diensten of organisaties van vitaal of nationaal belang, kan de stelling worden verdedigd dat artikel 231 Sr, als dit wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking is getreden, ten opzichte van artikel 225 Sr als een bijzondere bepaling moet worden aangemerkt en dat dientengevolge straks bij vervalsing van deze identiteitsbewijzen of reisdocumenten de werking van artikel 225 Sr is uitgeschakeld. (…) Doordat artikel 231 Sr een specialis vormt ten opzichte van artikel 225 Sr, is er sprake van een situatie als bedoeld in artikel 55, tweede lid, Sr en geldt de regel dat de bijzondere bepaling van artikel 231 Sr de werking van de algemene bepaling van artikel 225 Sr uitsluit. Voor het strafmaximum maakt dat geen verschil, maar wel voor de inhoud van de tenlastelegging en de kwalificatie van het strafbare feit.’

In dit specifieke geval heeft de verdediging blijkens het vonnis een steek laten vallen. De politierechter heeft het specialiteitsleerstuk zelf opgeworpen. Deze uitspraak schudt de verdediging op dit punt wellicht wakker en laat zien dat het de moeite loont om na te gaan of de wet een expliciete dan wel impliciete specialis bepaling kent voor een specifieke casus. Met een wijziging van de tenlastelegging moet (natuurlijk) wel rekening worden gehouden. Of een wijziging zal worden toegelaten hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval.

Wat is jouw ervaring met dit soort gevallen? Voer jij verweer als er argumenten zijn om te betogen dat sprake is van een specialisverhouding? En beslist de rechter in voorkomende gevallen tot ontslag van rechtsvervolging?

#147: Kennis van buitenlands recht is vereist

Op 22 december 2015 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen inzake het fiscale specialiteitsvoorbehoud. Artikel 2 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken bepaalt dat rechtshulp mag worden geweigerd in het geval van fiscale delicten. Over het algemeen werd – bijvoorbeeld – door de Zwitserse en Luxemburgse autoriteiten alleen informatie verstrekt op verzoek van Nederland onder het voorbehoud dat deze informatie niet voor fiscale doeleinden werd gebruikt. Hoe ver reikt dit voorbehoud? Ziet dit voorbehoud alleen op fiscale delicten als bedoeld in de AWR of heeft het specialiteitsvoorbehoud een breder bereik?

Lees verder

#143: De toepassing van het strekkingsvereiste

Een typisch bestanddeel voor de fiscale delicten als bedoeld in artikel 69 AWR is het strekkingsvereiste. Het onjuist of niet doen van een aangifte is enkel strafbaar indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Niet elke zaak leent zich er voor, maar in enkele gevallen kan een mooi verweer gevoerd worden met betrekking tot het strekkingsvereiste. De Hoge Raad heeft onlangs wel nog korte metten gemaakt met een dergelijk verweer, maar misschien leveren de voorbeelden genoemd in dit artikel nog enige inspiratie op.Lees verder

#135: Een friendly reminder van de Hoge Raad

In artikel #119 besteedden wij al aandacht aan de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 AWR. Dit artikel bepaalt dat – indien een delict kan worden gekwalificeerd als bedoeld in artikel 69, eerste en tweede lid, AWR – de verdachte niet (ook) mag worden vervolgd voor valsheid in geschrifte als bedoeld in artikel 225, tweede lid, Sr. Wij signaleerden toen dat dergelijke vervolgingen in de praktijk niettemin met enige regelmaat voor blijken te komen. De omgekeerde situatie – vervolgen voor een fiscaal delict terwijl (wellicht) sprake is van artikel 225 Sr – doet zich echter ook voor. Dit blijkt uit een arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2015.Lees verder

#131: Fiscale versus strafrechtelijke straftoemeting

Indien de inspecteur van mening is dat opzettelijk een onjuiste aangifte is gedaan, dan wordt de vergrijpboete gebaseerd op de belastingheffing die voortvloeit uit de correcties ter zake van een of meer tekortkomingen in de aangifte waaraan de kwalificatie ‘opzet’ kan worden verbonden. In het arrest van de Hoge Raad van 4 januari 2013 (Belastingkamer) worden de overwegingen van het Hof in stand gelaten waarin het Hof deze duidelijke koppeling aanbrengt tussen de boetegrondslag en het opzet. In een recente uitspraak van het Hof Amsterdam wordt deze rechtsregel toegepast. Een reminder voor ons allen om per correctie of onderdeel van de aanslag nauwkeurig na te gaan of opzet kan worden bewezen. Ook de strafrechtadvocaat kan hier zijn voordeel mee doen.Lees verder