#021: Op de barricades!?

Het wetvoorstel toezicht advocatuur brengt de nodige commotie met zich mee. De Orde van Advocaten roept in een brief van 25 juni 2013 advocaten op om zich op passende wijze tegen het wetsvoorstel te keren en op te komen voor de (echt) onafhankelijke advocatuur. De editie van juli 2013 van het Advocatenblad staat bomvol met artikelen over ‘Teevens toezichtstelsel’. Om een belangrijke bijdrage te kunnen leveren aan deze discussie en op passende wijze tegen het wetsvoorstel te keren, hierbij nog even in het kort de redenen waarom dit wetsvoorstel is ingediend, hoe Teeven het toezicht op de advocatuur wenst te regelen en wat de meest recente wijzigingen in het wetsvoorstel zijn.

In 2010 adviseerde Arthur Docters van Leeuwen om het toezicht op de advocaten te verbeteren. Staatssecretaris van Justitie, Fred Teeven, diende in 2011 een wetsvoorstel in dat moest leiden tot een onafhankelijke toezichthouder binnen de advocatuur. De Orde van Advocaten achtte dit toentertijd al onaanvaardbaar. In de nota naar aanleiding van het verslag  staat wat de aanleiding is geweest voor dit wetsvoorstel. Dit houdt verband met een algemeen beeld op de moderne toezichtseisen. Aan modern toezicht zou volgens de nota naar aanleiding van het verslag de volgende eisen worden gesteld; het toezicht moet transparant, uniform, onafhankelijk, proactief en effectief zijn. Waar deze moderne toezichtseisen vandaan komen blijkt echter niet uit de nota.

Daarnaast wordt geconstateerd dat recente incidenten waar advocaten brede aandacht hebben getrokken bij hebben gedragen aan het wetsvoorstel, alsook het stijgende aantal tuchtklachten tegen advocaten. Op grond daarvan wordt geconcludeerd dat normschendend gedrag van advocaten nooit geheel kan worden voorkomen, maar wel zou het toezichtssysteem zo moet worden opgezet dat normschendingen proactief worden aangepakt in plaats van repressief. Opmerkelijk is overigens dat de incidenten volgens de nota beperkt blijven tot het voorgaande en dat niet kan worden gesproken van een algemeen beeld van normvervaging.

Bovenstaande heeft geresulteerd in een tweede nota van wijziging  van de wet tot aanpassing van de Advocatenwet wat de herziening van het toezicht op naleving van voorschriften door advocaten regelt. In deze nota van wijziging wordt voorgesteld in de Advocatenwet te regelen dat één (landelijk) toezichthoudend orgaan, het college van toezicht, de eindverantwoordelijkheid draagt voor het toezicht op alle advocaten. Het college moet de integriteit en de kwaliteit van de beroepsgroep bewaken en bevorderen. Zonder enige aanleiding kan onderzoek worden gedaan bij alle advocaten. Deze proactieve opstelling van de dekens moet preventief werken en zo het tuchtrecht achteraf ontlasten. De toezichthouder wordt ook verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.  De grootste kanttekening die vanaf het begin bij dit wetsvoorstel is  geplaatst, is de zorg of met een onafhankelijk toezichtsorgaan niet juist de onafhankelijkheid en de geheimhoudingsplicht van de advocaat in het gedrang komen.

Staatssecretaris Teeven probeert nu tegemoet te komen aan de bezwaren die tegen het wetsvoorstel zijn ingebracht. Vandaar dat Teeven op 3 juni 2013 een derde nota van wijziging naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Als het wetsvoorstel van Teeven in werking zou treden in de huidige vorm, dan zou dit voortaan betekenen dat de Nederlandse Orde van Advocaten kandidaten van het college kan voordragen en dat leden van het college bij koninklijk besluit worden benoemd. Ook geldt dat de Minister van Veiligheid en Justitie kandidaten voor benoeming in het college op zwaarwegende gronden kan weigeren. Een overzicht van de wijzigingen is te zien in het overzicht  aanpassingen wetsvoorstel herziening toezicht advocatuur.

De vraag is echter of hiermee tegemoet wordt gekomen aan de schreeuw vanuit de advocatuur om onafhankelijk te blijven. Ons inziens luidt het volmondige antwoord hierop : ‘Nee’. De overheid heeft een aanzienlijke rol in de benoeming van het toezicht en kan wel degelijk zijn invloed uitoefenen. Hierdoor zijn advocaten, vooral diegene die tegen de overheid procederen in bestuurs- en strafzaken, niet meer geheel vrij om onafhankelijk tegen de overheid op te treden. Een zinsnede in de nota naar aanleiding van het verslag is hiervoor typerend: ‘De wetgever bepaalt de reikwijdte en mate van overheidsbemoeienis’. Dit druist in tegen de kernwaarden van de advocatuur. Een advocaat moet niet, als hij op het scherpst van de snede tegen de overheid procedeert, worden geconfronteerd met een mogelijke controle van het toezichthoudend orgaan met inzage in het dossier.

Ten behoeve van de geheimhoudingsplicht staat in de nota van wijziging dat in de gevallen waarin de doorbreking van de geheimhoudingsplicht in de Advocatenwet wordt opgenomen, ter voorkoming van ieder misverstand, tevens wordt voorzien in een wettelijke regeling van de afgeleide geheimhoudingsplicht voor de toezichthouders. Dit betekent dus dat de toezichthouders een beroep kunnen doen op het afgeleid verschoningsrecht en daarmee de vertrouwelijkheid van het dossier van de advocaat gewaarborgd zou zijn. Dit is ons inziens wel heel marginaal en een spreekwoordelijk doekje voor het bloeden. Hoe moet je dat aan je cliënt uitleggen? “Uw gegevens zijn veilig bij ons. Maar o ja, het kan zijn dat de overheid inzage komt nemen in uw dossier. Ja, dezelfde overheid waar tegen u procedeert. Maar u hoeft niet bang te zijn hoor, het toezichtscollege van de overheid heeft een afgeleid verschoningsrecht.”

De aantasting van het aanzien van de advocatuur wordt mede aangetast door de mondiger geworden burgers, wat  tot een toename van klachten tegen advocaten heeft geleid. Tuchtzaken van bekende advocaten komen ook steeds vaker in het nieuws, met alle gevolgen van dien in de publieke opinie. Dit moeten wij ons als advocaten aantrekken. Het is onze taak om het vertrouwen in de advocaat herstellen. Daarbij zijn de aandachtspunten in het wetsvoorstel van groot belang; proactief toezicht in plaats van reactief. Dit rechtvaardigt ons inziens echter nog geenszins dat wij als advocaten onze belangrijkste kernwaarden moeten opgeven; onafhankelijkheid en vertrouwelijkheid. De wijzigingen van Teeven zorgen er allerminst voor dat deze kernwaarden beschermt blijven. Wij horen graag van jou hoe jij je vak gaat beschermen en ageert tegen deze veranderingen. Of ben jij van mening dat een onafhankelijk college past in de moderne tijd? Sta jij straks te demonstreren in Den Haag of niet?

 

#016: ‘Dat beloof ik’

Een veelgehoorde vraag aan een strafrechtadvocaat op feestjes en partijen is: “Hoe kan je iemand verdedigen waarvan je weet dat hij of zij het strafbare feit heeft gepleegd?” De toelichting dat iedereen recht heeft op een eerlijk proces volgt veelal en langzaam groeit het begrip van de vraagsteller. Totdat hij zich de vormfout weer herinnert. Hoe kan je nou ‘een crimineel’ op grond van vormfouten proberen vrij te pleiten?  Hoewel het antwoord op dergelijke vragen vanzelfsprekend lijkt voor de strafrechtadvocaat, blijft het voor de leek vaak onbegrijpelijk zolang het een ‘ver van z’n bed show’ is. Toch is het goed dergelijke vragen aan je zelf te blijven stellen en onder de loep van onze gedragsregels te blijven leggen.

De gedragsregels voor de advocatuur schrijven voor dat wij een geheimhoudingsplicht hebben en dat wij het belang van onze cliënt moeten dienen. Het komt erop neer dat wij zaken vertrouwelijk moeten behandelen, partijdig moeten zijn, onafhankelijk, deskundig en integer. Tegelijkertijd hebben wij een eed of belofte afgelegd die inhoudt dat wij geen zaak mogen aanraden of verdedigen, die de advocaat ‘in gemoede niet gelooft rechtvaardig te zijn’ en bovendien mogen wij volgens gedragsregel 30 in de rechtszaal geen feiten presenteren die feitelijk onjuist zijn. Het belang van de waarheidsvinding en de partijdigheid die wij voor onze cliënt in acht moeten nemen botsen. Jij zal dus een afweging moeten maken waar jouw grenzen liggen om de belangen van jouw cliënt binnen de grenzen van de wet te verdedigen. Waar liggen jouw persoonlijke grenzen in het licht van deze ethische vraagstukken?

Een strafrechtadvocaat weet over het algemeen meer van zijn cliënt dan de rechter ooit te weten zal komen. Het wil nog wel eens gebeuren dat een verdachte het hebben begaan van delict bekent aan zijn advocaat, maar in de rechtszaal of tegen de politie zich op zijn zwijgrecht beroept of zelfs liegt. Het zwijgrecht van een verdachte is ontstaan vanuit het idee dat een verdachte niet hoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling, het nemo tenetur beginsel.  Een verdachte kan aldus niet gedwongen worden om een verklaring af te leggen. Zou dit wel het geval zijn dan ligt het risico van een onjuiste verklaring op de loer. De Puttense moordzaak, De Schiedammer parkmoord en de zaak Ina Post zijn schrijnende voorbeelden van verdachten die onder dwang en druk een valse bekentenis hebben afgelegd. Mede om dergelijke misstanden te voorkomen moet het recht van de verdachte om te zwijgen ten allen tijde gerespecteerd worden.

Dit is anders in het belastingrecht. De belastingplichtige heeft in het fiscale(boete) recht verschillende rechten en plichten die haaks op elkaar kunnen staan. Allereerst heeft de belastingplichtige een informatieplicht ex artikel 47 AWR zodat de inspecteur de juiste belastingschuld kan vaststellen. Maar indien de inspecteur van mening is dat een belastingplichtige opzettelijke een onjuiste aangifte heeft ingediend, dan wordt ook een boete opgelegd. Deze punitieve maatregel maakt dat artikel 6 EVRM van toepassing is en  derhalve komt de verdachte een zwijgrecht toe. Ook in deze situatie moet een advocaat zich afvragen wat zijn rol behoort te zijn in het kader van de waarheidsvinding  en hoe hier mee om te gaan in het licht van de geheimhoudingsplicht.

De advocaat is een belangrijke vertrouwenspersoon tot wie een verdachte (belastingplichtige) zich kan wenden. Om deze vertrouwensrelatie op te bouwen heeft een advocaat een geheimhoudingsplicht. Hierdoor ziet een advocaat zich geregeld geconfronteerd met dilemma’s waarin hij botsende gedragsregels dient af te wegen en wordt gedwongen om keuzes te maken.

Stel dat een belastingplichtige jou op de hoogte stelt van het feit niet aangegeven vermogen te hebben. Toch weigert hij dit gegeven te delen met de inspecteur. Ingevolge artikel 47 AWR heeft de belastingplichtige een wettelijke informatieplicht en begaat hij een strafbaar feit als hij niet voldoet aan deze wettelijke verplichting. Mag een advocaat dan als vertegenwoordiger van zijn cliënt het standpunt van zijn cliënt innemen in de fiscale zaak? Werk je als advocaat dan mee aan een strafbaar feit of ventileer je slechts het standpunt van je cliënt en draag je hier zelf geen verantwoordelijkheid voor? En zou dit anders liggen op het moment dat de belastingplichtige verdachte  wordt en juist het recht heeft om te zwijgen? Betekent dit dat een advocaat in een zuivere fiscale zaak ten opzichte van een boete dan wel strafzaak een andere verantwoording heeft?

Doorgaans zal een strafadvocaat er weinig moeite mee hebben om formele punten op te werpen en op die manier de rechten van zijn cliënt en de rechtstaat te beschermen. Maar kan jíj dan nog vol voor die vrijspraak gaan? Of is dat voor jou dan een zaak die je ‘in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn’. Vraag jij een cliënt naar de ‘echte’ feiten , of beoordeel jij ‘slechts’ het dossier? Of heb jij geen moeite met het naar voren brengen van het (onjuiste) standpunt van jouw cliënt, zolang je het maar verwoord als het standpunt van jouw cliënt? Of verworden onze gedragsregels dan tot een retorisch woordspelletje?

In de tuchtrechtspraak wordt het centrale criterium gehanteerd dat de advocaat grote vrijheid dient toe te komen bij de verdediging van zijn cliënt. Een advocaat heeft de verantwoordelijkheid een beargumenteerde afweging van belangen te maken. Geen advocaat is hetzelfde en dit is bijvoorbeeld terug te zien in de uiteenlopende meningen van advocaten hoe om te gaan met de media in strafzaken. Dit betekent echter geenszins dat deze vrijheid absoluut is. Het criterium dat de advocaat geen beweringen mag doen waarvan hij redelijkerwijs mag aannemen dat deze niet juist zijn is betrekkelijk subjectief. Zelf als achteraf wordt vastgesteld dat een bewering onjuist was brengt dit niet direct met zich mee dat aan dit criterium is voldaan. Immers moeten uitlatingen van een advocaat worden beoordeeld aan de hand van het belang die zij voor de verdediging hebben.[1] Bovendien kent de Raad van Discipline ook veel gewicht toe aan het feit dat een advocaat de zienswijze van een cliënt tot uitdrukking mag brengen en dus niet zijn ‘eigen’ feiten presenteert.[2]

Hoewel de Raad van Discipline uiterste grenzen trekt heb jij als advocaat ook een eigen verantwoordelijkheid. Kun jij bijvoorbeeld  een vrijspraak bepleiten als je weet dat jouw cliënt schuldig is? Geloof jij dan nog écht in die zaak en kan jíj nog wel partijdig zijn? Het is daarom goed om af en toe bij jezelf te rade te gaan om je eigen normen en waarden vast te stellen en bewuste keuzes te maken in je verdediging zodat deze niet slechts verwordt tot een bepaalde woordkeuze maar een zaak blijft waar jij volledig achterstaat.

Wij zijn benieuwd waar jouw grenzen als advocaat liggen. Hoe ga jij om met een tegen jou bekennende verdachte? Maakt het hierbij uit of jouw cliënt een zwijgrecht toekomt? En heb jij weleens een zaak neergelegd omdat je hier niet voor de volle 100% achter kon staan?

T. Spronken, ‘Verdediging’, 1e druk 2001, p.588.

RvD Den Bosch, 09-05-1994, Advocatenblad 1995, p122.