#160: Een tik op de Nederlandse vingers

Dat Nederland zich niet proactief opstelt als het gaat om het waarborgen van de rechten als vervat in artikel 6 EVRM, concludeerden wij al eerder. Kennelijk zijn individuele gevallen nodig waarin betrokkenen zich bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) beklagen over de wijze waarop zij behandeld zijn. Een ‘tik op de vingers’ van het EHRM lijkt voor veel gevallen nodig om een ‘Straatsburg-proof standaard’ te creëren in zaken met een punitief karakter. De heer Gillissen is een van die individuen die zijn recht bij het EHRM moest halen. Op 15 maart jl. stelde het EHRM hem in het gelijk in verband met een schending van artikel 6 EVRM.Lees verder

#154: Beeld en geluid kloppen niet

Het wetboek van strafvordering kent de nodige strikte termijnen om rechtsmiddelen in te stellen. Indien die termijnen ongebruikt verstrijken is er geen mogelijkheid meer een rechtsmiddel aan te wenden. Dat geldt voor zowel de verdachte als voor het Openbaar Ministerie. Het zorgt voor rechtszekerheid en duidelijkheid. Maar na het veiligstellen van de termijn kan het Openbaar Ministerie niet zonder gevolgen stil blijven zitten.Lees verder

#149: Een koelbloedige Hoge Raad

De gelijkwaardigheid in het strafprocesrecht lijkt soms ver te zoeken. In een strafrechtelijk onderzoek hoeft het Openbaar Ministerie zich nauwelijks aan termijnen te houden. In beginsel moet het Openbaar Ministerie zorgdragen voor behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, maar een schending hiervan heeft verder nauwelijks gevolgen. Een verdachte echter is veelal gehouden maar gewoon af te wachten wanneer zijn zaak behandeld wordt. De paar rechtsmiddelen die een verdachte heeft zijn echter wel aan korte wettelijke termijnen gebonden en die worden strikt gehandhaafd. Zo strikt zelfs, blijkens een recent arrest van de Hoge Raad, dat het haast wat koelbloedig aanvoelt.Lees verder

#145: Een nieuwjaarsboodschap van de Hoge Raad?

Zo vlak voor het kerstreces wijst de Hoge Raad op 22 december 2015 een 81 RO arrest. Maar het is wel een arrest met een duidelijke boodschap. De Hoge Raad gaat ervan uit dat met ingang van 1 maart 2016 toepassing zal worden gegeven aan de regel dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie. Wat ging aan dit arrest vooraf?Lees verder

#134: Something old, something new..

De plannen voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering zijn klaar. Dit blijkt uit de brief van 30 september 2015 van minister Van der Steur aan de Tweede Kamer. De brief betreft een eerste formele stap naar het moderne wetboek. Van der Steur kondigt aan dat het wetboek gemakkelijker in gebruik zal zijn en dat het de kwaliteit van de strafrechtspleging zal verhogen. De wetsvoorstellen worden in vier verschillende tranches ingevoerd. Volgens de planning zal de laatste tranche in december 2018 in het Staatsblad worden gepubliceerd. Over de voortgang van de plannen wordt tijdens het (tweede) Congres over de modernisering van het Wetboek van Strafvordering op 15 oktober a.s. verder gesproken. De plannen voor het nieuwe wetboek – opgenomen in de contourennota waar wij al eerder aandacht aan hebben besteed in artikel 118 en artikel 102 – zijn tot stand gekomen in intensief overleg met politie, Openbaar Ministerie, rechtspraak, advocatuur en met vertegenwoordigers uit de wetenschap. Maar zal het nieuwe wetboek haar doelen waarmaken?Lees verder

#127: Het trage malen van gerechtelijke molens

In strafzaken staat de waarheidsvinding voorop. De discussie over de vraag of de waarheid überhaupt bestaat daargelaten, zijn er vele factoren van invloed op het achterhalen of benaderen van de waarheid. Zo zal relevante informatie door verloop van tijd niet altijd meer beschikbaar zijn. In veel gevallen zullen de verklaringen die verdachten en getuigen kunnen afleggen omtrent de vermeende strafbare gedraging, een van de belangrijkste bronnen zijn om de waarheid te achterhalen. Door verloop van tijd kunnen de herinneringen van verdachten en getuigen vervagen. Ook kunnen herinneringen veranderen. Hoewel overschrijding van de redelijke termijn om een strafzaak te behandelen in beginsel leidt tot strafvermindering (zie daartoe HR 17 juni 2008), is onlangs de nodige jurisprudentie verschenen waarin het Openbaar Ministerie een ‘tik op de vingers’ heeft gekregen voor het te lang wachten met het aanbrengen van de zaak, waardoor de waarheidsvinding in het gedrang is gekomen. Ons inziens een juiste ontwikkeling.Lees verder

#122: Het ondervragingsrecht toegepast

Er is nog altijd veel te doen over het gebruik van getuigenbewijs. Belastende verklaringen van getuigen mogen niet zomaar gebruikt worden. Daarvoor gelden strenge regels die voortvloeien uit het in artikel 6 EVRM vervatte ondervragingsrecht van de verdediging. Tegen onjuist gebruik van dergelijk bewijsmateriaal moet de verdediging overigens proactief optreden om de rechten van de verdediging veilig te stellen. Het gebruik van getuigenbewijs luistert nauw en het is aan de verdediging alert te zijn op de wijze waarop dergelijk materiaal als bewijs wordt gebruikt door de rechter. Dat verweren op dat punt overigens niet voor dovemans oren bestemt zijn, blijkt onder meer uit een arrest van de Hoge Raad van 23 juni 2015.Lees verder

#115: De kracht van retorica ter zijde geschoven

Al geruime tijd bestaan er zorgen over de werkdruk bij de rechterlijke macht. Deze druk heeft tot gevolg dat rechters zuinig met zittingstijd omgaan. Dit resulteert regelmatig in een discussie tussen de verdediging en de rechterlijke macht over de pleittijd van de advocaat. Rechters vinden veelal dat advocaten te lang van stof zijn en proberen de pleittijd van de advocaat in te perken. Maar hoe verhoudt dit zich tot het recht van de verdediging om aan te voeren wat haar in het belang van de verdediging dienstig voorkomt? De Hoge Raad heeft op 26 mei 2015 hierover een belangrijk arrest gewezen.Lees verder

#112: De ‘wurgpaal’ verder aangeschroefd?

De KB Lux affaire heeft veel stof doen opwaaien sinds de eeuwwisseling en daarover is het laatste nog altijd niet gezegd of geschreven. In deze kwestie is onder meer de vraag aan de orde wanneer sprake is van wilsafhankelijk materiaal en wanneer sprake is van wilsonafhankelijk materiaal. Een onderscheid dat (volgens de Hoge Raad) van cruciaal belang is zodra het aankomt op de vraag of sprake is van schending van artikel 6 EVRM indien de overheid onder dwang verkregen informatie gebruikt voor punitieve doeleinden. Op 24 april 2015 wees de Hoge Raad in dat kader een interessant arrest in een kort geding procedure.Lees verder