#025: Beperking of handicap?

Eerder dit jaar uitte de Nederlandse Vereniging voor Strafrechtadvocaten haar bezorgdheid over de toepassing van de maatregel ‘alle beperkingen’ door Justitie. De maatregel zou veelal te snel worden opgelegd, terwijl daartoe geen gronden aanwezig zijn, met alle mogelijke gevolgen van dien. Het College van procureurs-generaal heeft de signalen van de advocatuur serieus genomen en heeft met de Nederlandse Orde van Advocaten de werkgroep getiteld ‘beperkingen’ opgericht, die de klachten zal onderzoeken.

De term ‘alle beperkingen’ wordt gebruikt voor de maatregelen ex artikel 62 Sv om een verdachte af te schermen van de buitenwereld in het belang van het onderzoek. De laatste strohalm in die situatie is de advocaat van de verdachte. Dit is de enige persoon die op dat moment het contact met de verdachte niet mag worden ontzegd. Toch lijkt de rechterlijke macht situaties aan te grijpen om ook de advocaat in het geval ‘alle beperkingen’ zijn opgelegd buiten spel te zetten. Is dit wellicht ook een aandachtspunt voor de werkgroep ‘beperkingen’?

In artikel 50 Sv staan twee redenen op grond waarvan de vrije toegang van een raadsman tot de verdachte mag worden ontzegd. Het vrije verkeer kan, in het belang van de waarheidsvinding, op de in lid 2 van artikel 50 Sv genoemde gronden beperkt worden door de officier van justitie tijdens het opsporingsonderzoek. Allereerst kan zich een situatie voordoen dat uit een bepaalde omstandigheid een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer met de raadsman zal strekken om de verdachte bekend te maken met feiten waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven. Daarnaast zou de vrije toegang kunnen worden misbruikt om de waarheidsvinding te belemmeren. Hierbij heeft de wetgever in 1926 specifiek aangegeven dat het bevel om het vrije verkeer te belemmeren slechts bevolen mag worden voor zover dit dringend noodzakelijk is. De dringende noodzakelijkheid is daarbij niet alleen voorwaarde maar ook maat. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een medeverdachte in zijn verhoor heeft verklaard een alibi te hebben, de raadsman hiervan op de hoogte is en het in het belang van het onderzoek is de verdachte van dat alibi onkundig te houden. Dit bijvoorbeeld totdat hij hier zelf over is gehoord.[1]

Onlangs heeft de rechtbank Middelburg een beslissing gepubliceerd van 1 april 2011 (!) waarin het bevel om het vrije verkeer tussen advocaat en verdachte te belemmeren wel heel makkelijk wordt getolereerd. De rechtbank oordeelde dat een behoorlijke taakuitoefening van een raadsman met zich meebrengt dat hij elke cliënt zo volledig mogelijk op de hoogte zal stellen en houden van al wat in het onderzoek naar voren is gekomen. De enkele omstandigheid dat een raadsman van de verdachte eveneens optreedt in het feitencomplex of een daarmee samenhangend feitencomplex van een medeverdachte is volgens de rechtbank Middelburg voldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van een ernstig vermoeden dat het vrije verkeer tussen de raadsman en beide verdachten zal strekken om de verdachte bekend te maken met feiten waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven.

Gelukkig staat daar een recente beslissing van 5 juli 2013 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant lijnrecht tegenover.[2] Deze rechtbank oordeelde dat het enkele feit dat een raadsman de belangen behartigt van meerdere verdachten in dezelfde zaak, die gedetineerd zijn en in beperkingen verblijven, onvoldoende grond is voor het ernstig vermoeden dat het vrije verkeer tussen de raadsman en verdachte ertoe zal strekken dat de verdachte bekend zal raken met omstandigheden waarvan die verdachte in het belang van het onderzoek onkundig moet blijven en voor het vermoeden dat het vrije verkeer wordt misbruikt voor pogingen om de opsporing van de waarheid te belemmeren.

Verschillende rechtbanken zijn dus verschillende meningen toegedaan over de noodzakelijkheid van het bevel. Helaas staat er geen cassatie open tegen dergelijke beslissingen en lijkt cassatie in het belang der wet de enige oplossing om hier duidelijkheid over te krijgen. Gezien de parlementaire geschiedenis van dit artikel lijkt de recente jurisprudentie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant echter het meest in lijn te liggen met de bedoeling van de wetgever. Immers blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat sprake moet zijn van absolute noodzaak. De officier van justitie zal ons inziens dus duidelijk moeten maken van welk feit de advocaat precies op de hoogte is en waarvan zijn cliënt in het ongewisse moet blijven in het belang van het onderzoek. Het is immers de keuze van de advocaat of sprake is van een tegenstrijdig belang en of hij twee verdachten in een gelijkluidende zaak kan bijstaan. De keuze om twee verdachten bij te staan mag niet door justitie worden belet door eerst veel te snel een bevel ‘alle beperkingen’ op te leggen en vervolgens als een advocaat meerdere verdachte bijstaat ook nog het vrije verkeer tussen advocaat en verdachte te belemmeren. Dit zou een advocaat er immers van kunnen weerhouden om in het vervolg twee verdachten bij te staan.

Aangezien op dit moment de werkgroep ‘beperkingen’ bezig is met het evalueren van klachten lijkt dit ons hét moment om ervaringen te delen. Hoe vind jij dat justitie omgaat met het middel ‘alle beperkingen’? Wijst bezwaar maken in die situaties soms wat uit? Wanneer wordt jou het vrije verkeer tot je cliënt ontzegd? En is dit dan absolute noodzaak of slechts een extra handicap?

Vaststelling van een Wetboek van Strafvordering, Kamerstuk 286, ondernummer 3, p. 75.

Zie ook bijvoorbeeld rechtbank Rotterdam, 7 oktober 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BT7251.

Geen reacties

Plaats een reactie