#117: Controle van het Hoge Raad dossier

In artikel #115 schreven wij al over het belang van inzage in het dossier van de rechtbank of het hof, om niet gedurende de uitspraak geconfronteerd te worden met onbekende stukken die met de bekende ‘toverformule’ aan de verdachte worden geacht te zijn voorgehouden. Een arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2015 wijst ons bovendien nog eens op het belang van controle van het Hoge Raad dossier. Met het insturen van het dossier door het hof wil nog wel eens wat mis gaan. Dit kan vernietiging van het arrest van het hof met zich brengen.

Zodra de verdediging cassatie instelt tegen een arrest van het hof is het van belang om je (direct) te stellen bij de Hoge Raad. Het gevolg is dat je als advocaat van het verdere verloop van de procedure in kennis wordt gesteld, zoals bijvoorbeeld van de termijn waarbinnen de cassatiemiddelen moeten zijn ingediend. In deze brief is het eveneens van belang om te verzoeken om de processtukken.  Artikel IV van het Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad bepaalt immers dat aan de raadsman – van degene die beroep in cassatie heeft ingesteld of een ingesteld beroep wil tegenspreken – op zijn schriftelijk verzoek een afschrift van de kernstukken wordt toegezonden. Je ontvangt in dat geval de uitspraken en de processen-verbaal van de zittingen in de feitelijke instantie(s). Je kan eveneens een afschrift van andere processtukken verzoeken, maar deze worden enkel verstrekt indien je daarvan nog niet in het bezit bent of de omvang van het gevraagde zich verzet tegen het vervaardigen en verzenden van afschriften. In dat geval wordt de raadsman gewezen op zijn bevoegdheid tot het nemen van inzage in de stukken ter griffie.

In eerste instantie lijkt het verkrijgen van deze stukken – die je over het algemeen toch al hebt – niet van groot belang. De praktijk lijkt anders uit te wijzen. Het gebeurt nogal eens dat het hof bijvoorbeeld de pleitaantekeningen van de raadsman verliest terwijl uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat hij conform de pleitaantekeningen het woord ter verdediging heeft gevoerd. In dat geval dient tijdig op de voet van art. IV lid 3 van het Procesreglement een verzoek bij de rolraadsheer te worden ingediend om het dossier te doen aanvullen met deze pleitnotities. Indien blijkt dat de pleitaantekeningen in het ongerede zijn geraakt dan kan dit enkel nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak met zich brengen.

Immers kan de Hoge Raad in dat geval niet nagaan of, en zo ja welke verweren ter terechtzitting in hoger beroep zijn gevoerd dan wel of aldaar uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht dan de in de bestreden uitspraak genoemde. De raadsman hoeft overigens in de middelen niet te stellen dat dit het geval is. Het ontbreken van de pleitnota is zozeer in strijd met een behoorlijke procesorde en onherstelbaar dat dit – als gezegd – tot nietigheid van het onderzoek leidt, de zaak wordt vernietigd en de zaak wordt teruggewezen.

Nu het hof verantwoordelijk is voor het procesdossier wordt dus niet voor een praktische oplossing gekozen om de pleitaantekeningen bij de raadsman op te vragen. Dit is enkel anders als de raadsman uit vrije beweging de pleitaantekeningen alsnog toestuurt. Het is – afhankelijk van de omstandigheden van het geval – veelal niet in het belang van de cliënt om dat te doen. Wel vragen wij ons af of het hof die de zaak al eens heeft behandeld volledig onbevangen naar de zaak kan kijken. De zaak wordt immers in volle omvang teruggewezen. Wij menen derhalve dat het beter is om in een dergelijk geval voor een verwijzing van de zaak naar een ander hof te kiezen.

Rechtspraak.nl leert dat in ruim tien gepubliceerde zaken het ontbreken van de pleitnota heeft geleid tot vernietiging van het arrest van het hof vanwege nietigheid van het onderzoek. Wat is jouw ervaring? Ontbreken weleens processtukken bij de Hoge Raad en hoe ga jij daar mee om?

 

Geen reacties

Plaats een reactie