#285: Fiscaal ≠ commuun

De verhouding tussen het fiscale strafrecht en het commune strafrecht is niet altijd even duidelijk. Dat geldt ook voor de wijze waarop dit onderscheid in de wet wordt gemaakt. Artikel 69, lid 4, AWR bepaalt dat in het geval van een fiscaal delict de verdachte niet (ook) mag worden vervolgd voor valsheid in geschrifte als bedoeld in artikel 225, lid 2, Sr. Het gaat dan expliciet om het gebruik maken van een vals document. Het opmaken van een vals geschrift is niet uitgezonderd in artikel 69, lid 4, AWR. Het is echter de vraag of het wel gepast is om via het commune strafrecht te vervolgen als sprake is van een fiscaal delict waarin het gaat om het opmaken van een vals document. Zouden fiscale delicten in zijn algemeenheid niet via het fiscale strafrecht vervolgd moeten worden? In Vaklunch #119, #135 en #171 kwam dit onderwerp al aan de orde. Het recent, op 10 augustus 2018, gepubliceerd vonnis van Rechtbank Amsterdam geeft aanleiding om dit onderwerp nog eens op de agenda te zetten.

Lees verder

#284: Ontnemingsvorderingen en betalingsverplichtingen

Na twee Vaklunches over ontneming kan een derde natuurlijk niet uitblijven; een ontnemingsdrieluik. Na ontnemingsvorderingen en faillissementen en ontnemingsvorderingen en fiscaliteiten, zijn deze week ontnemingsvorderingen en betalingsverplichtingen aan de beurt. Op 29 mei 2018 heeft de Hoge Raad een helder arrest gewezen over de mogelijkheid om de betalingsverplichting van een ontnemingsvordering hoofdelijk op te leggen. Over dit onderwerp schreven wij ook in Vaklunch #159.Lees verder

#283: Ontnemingsvorderingen en fiscaliteiten

Deze week gaat de Vaklunch opnieuw over de ontnemingsvordering. Maar dit keer over enige aspecten van de fiscale behandeling van een ontnemingsvordering. De vraag is: hoe ga je om met een ontnemingsvordering in je belastingaangifte? De Belastingkamer heeft hier op 18 mei 2018  een uitspraak over gedaan die recent is gepubliceerd.Lees verder

#281: All things come to an end

Een verdachte en de verdediging hebben te dulden dat zij niet de regie hebben over het verloop van een strafrechtelijk onderzoek en/of een procedure. Zo komt het voor dat strafrechtelijke onderzoeken eindeloos lijken te duren, zonder dat de verdachte – mits hij niet ‘vast zit’ – jarenlang geen rechter ziet in zijn eigen zaak. De wet biedt de verdachte voor dat geval wel de mogelijkheid om een rechter-commissaris in te schakelen om de voortgang van het proces te bewaken. De rechter-commissaris heeft echter maar weinig mogelijkheden om het Openbaar Ministerie te bewegen om het proces voorspoediger te behandelen. Voor de rechter-commissaris en de verdachte resteert bij een te traag proces één optie. Het indienen van een verzoek om de zaak te beëindigen op basis van artikel 36 Wetboek van Strafvordering.

Lees verder

#280: Zinderende hitte omtrent artikel 10a AWR

Er is een hittegolf gaande in Nederland. En dat betekent over het algemeen komkommertijd voor de jurisprudentie. Maar niet dit jaar. Deze zomer gaat gepaard met interessante jurisprudentie over het niet of niet volledig doen van een melding ex artikel 10a AWR. Het artikel bepaalt dat een belastingplichtige uit eigen beweging onjuistheden of onvolledigheden bij de Belastingdienst moet melden zodra hij daarvan op de hoogte is gekomen. Bij algemene maatregel van bestuur is vastgelegd voor welke onjuistheden of onvolledigheden dit geldt. In Vaklunch #189 schreven wij reeds over artikel 10a AWR in het strafrecht. Twee weken geleden behandelden wij in Vaklunch #278 de vraag of deze bepaling niet in strijd is met het nemo tenetur beginsel. Deze week stellen wij graag een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland aan de orde.

Lees verder

#279: Onderbuikgevoel versus de feiten

‘Geef mij de feiten, dan geef ik u het recht’. Een bekende Latijnse spreuk waarvan de rechtzoekende uitgaat dat het recht op deze manier wordt vastgesteld. Maar het vaststellen van feiten lijkt juist veelal het probleem. In sommige gevallen lijkt het rechterlijk oordeel meer tot stand te komen op basis van de Duck test: ‘If it looks like a duck, swims like a duck, and quacks like a duck, then it probably is a duck.’In de rechtspraak komt men deze redenering vaak tegen bij een gebrek aan feiten voor het (gewenste?) oordeel. Een overweging vangt dan aan met ‘Het kan niet anders dan dat…’. En daarmee worden conclusies getrokken op basis van indirecte feiten. Kan men dan nog wel spreken van wettig en overtuigend bewijs in het strafrecht? Hoe ga je daar als advocaat in de praktijk mee om?Lees verder

#278: Artikel 10a AWR is niet strafbaar, maar is het wel beboetbaar?

In Vaklunch #189 schreven wij over artikel 10a AWR in het strafrecht. In dit artikel is een fiscale meldplicht opgenomen. Het artikel bepaalt dat een belastingplichtige uit eigen beweging onjuistheden of onvolledigheden bij de Belastingdienst moet melden zodra hij daarvan op de hoogte is gekomen. Bij algemene maatregel van bestuur is vastgelegd voor welke onjuistheden of onvolledigheden dit geldt. Bij algemene maatregel van bestuur is bepaald dat bijvoorbeeld een meldplicht geldt voor de suppletie aangifte omzetbelasting. Het niet doen van suppletie aangiften is volgens de AWR beboetbaar, maar is het ook strafbaar?

In Vaklunch #189 uitten wij onze kritiek op een aantal rechtbank vonnissen waarin een strafrechtelijke veroordeling plaatsvond op grond van artikel 69, lid 1, AWR jo. artikel 68, lid 1, sub a, AWR het niet, het onjuist of het onvolledig verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen naar aanleiding van het niet, onjuist of onvolledig doen van een suppletie aangifte.

Het Hof Den Bosch overweegt nu in een arrest van 10 juli 2018 in klare taal dat artikel 10 AWR niet strafbaar is. Het hof constateert dat in de parlementaire geschiedenis bij de invoering van artikel 10a van de AWR niets is vermeld omtrent de mogelijkheid tot strafvervolging bij overtreding van dat artikel, dat deze overtreding consequent is aangemerkt als beboetbaar feit en dat is vermeld dat tegen de sanctie bezwaar en beroep openstaat. Verder is in artikel 10a AWR bepaald dat sprake is van een overtreding zoals wij ook reeds constateerde in Vaklunch #189. Aangezien artikel 10a AWR niet in de wet is aangemerkt als strafbaar feit vinden artikel 70 en 71 AWR geen toepassing. In deze bepalingen is immers de maximale straf bepaalt voor overtredingen die als strafbare feiten zijn aangemerkt.

Verder merkt het hof nog terecht op dat zelfs als artikel 10a AWR wel strafbaar zou zijn dat deze bepaling dan in strijd met het nemo tenetur-beginsel zou zijn. Het hof overweegt daartoe:

De belastingplichtige is gehouden de inspecteur uit eigener beweging mededeling te doen van onjuistheden of onvolledigheden in voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens en inlichtingen die hem bekend zijn of zijn geworden. Zodra de belastingplichtige constateert dat hij een aangifte over een tijdvak in de afgelopen vijf kalenderjaren onjuist of onvolledig heeft gedaan waardoor te veel of te weinig belasting is betaald, is hij gehouden alsnog bij wijze van suppletie de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken. Deze inlichtingen, gegevens of aanwijzingen zijn van de wil van de belastingplichtige afhankelijk, omdat de voor de suppletie benodigde inlichtingen, gegevens of aanwijzingen (over één of meer tijdvakken) voor die suppletie op de door de inspecteur aangegeven wijze (artikel 15, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968) moeten worden verzameld en opgesteld.

 Nu een wettelijke verplichting geldt ten aanzien van het verstrekken van informatie ten aanzien van onjuistheden of onvolledigheden in de aangiften wordt een belastingplichtige aldus verplicht om melding te maken van onjuistheden uit het verleden. Zeker als in het verleden opzettelijk onjuiste aangiften zijn gedaan dan is sprake van strijd met het nemo tenetur beginsel. Dit standpunt onderschrijven wij natuurlijk volledig en heeft wat ons betreft ook gevolgen voor de beboetbaarheid van dit feit. Dit onderschrijft overigens ook ons standpunt uit Vaklunch #189  dat artikel 10a AWR niet is geschreven voor situaties waarin bij het indienen van de eerste aangiften opzettelijk onjuiste aangiften zijn ingediend.

Voor het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte is immers vereist dat opzet bestond op de onjuistheid op het moment van het indienen van de aangifte. Artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting gaat er vanuit dat een suppletie moet plaatsvinden indien een onjuistheid wordt geconstateerd in de reeds ingediende aangifte. De bedoeling van dit artikel is ons inziens dus dat een later geconstateerde fout moet worden gemeld.

Mocht je vragen hebben over het voorgaand of van gedachten willen wisselen met ons, neem dan contact op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

#277: Als heer en meester

Niet alleen valsheid in geschrift en witwassen behoren tot het standaard arsenaal van het Openbaar Ministerie, dat geldt inmiddels ook voor oplichting of verduistering. Oplichting veronderstelt dat een voorwerp of geld onrechtmatig is verkregen door oplichtingshandelingen, terwijl bij verduistering het voorwerp of geld juist rechtmatig is verkregen maar iemand het zich wederrechtelijk toe-eigent. Maar wanneer is daarvan nou sprake?

Lees verder

#276: Sepots en vergoedingen

Indien een strafzaak eindigt zonder oplegging van een straf of een maatregel kan de gewezen verdachte aanspraak maken op vergoeding van de advocaatkosten. Artikel 591(a) Sv geeft daarvoor de wettelijke grondslag. In Vaklunch #224 gaven wij reeds aan dat er geen eenduidige lijn is te ontdekken in het toekennen van een vergoeding. De rechter kan overgaan tot het toekennen van een vergoeding als hij daartoe gronden van billijkheid aanwezig acht. De praktijk leert dat als een strafzaak is geëindigd met een sepot, de sepotcode ofwel de reden van het sepot van invloed kan zijn op de hoogte van de vergoeding. Dit kan ook reden zijn om een wijziging van de sepotcode te vragen aan de officier van justitie. Maar wat als de officier van justitie daaraan niet wil meewerken? Twee recente uitspraken laten twee mogelijkheden zien.

Lees verder