#217: Aantasting van het wettelijke systeem

Of het nu gaat om anonieme tipgevers in het fiscale recht of geheime informanten in het strafrecht; het gebruik van deze geheime informatie levert bijna altijd voer voor discussie op. De Belastingdienst en het Openbaar Ministerie zijn niet erg happig op het bekend maken van de identiteit van deze anonieme personen. Zelfs als de rechter oordeelt dat bepaalde informatie aan het procesdossier moet worden toegevoegd komt het voor dat de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie weigeren de betreffende informatie in te brengen. Een recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam laat zien wat de procedurele gevolgen (kunnen) zijn van een dergelijke weigering in het strafrecht. Een mooie inspiratiebron voor de fiscale rechter?

In het fiscale recht is veel te doen geweest over de tipgeversaffaire. Hierover schreven wij onder meer in Vaklunch #151.  In deze zaak weigert de inspecteur de identiteit van de tipgever prijs te geven nadat de rechtbank had beslist dat die weigering niet gerechtvaardigd is. De Hoge Raad heeft op 18 december 2015 geoordeeld dat een inspecteur niet kan worden gedwongen om informatie prijs te geven die een inspecteur in diezelfde procedure niet wil verstrekken. Hiertoe wordt verwezen naar artikel 8:31 Awb waarin de mogelijkheid wordt gelaten aan de inspecteur om bepaalde stukken niet in het geding te brengen. Het is dan aan de rechter om daar gevolgen aan te verbinden die hem geraden voorkomen. De Hoge Raad heeft in dat arrest geoordeeld dat bij toepassing van artikel 8:31 Awb alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen, waaronder het belang van de niet overgelegde stukken voor de waarheidsvinding. Tot welk resultaat dit uiteindelijk gaat leiden in deze zaak zullen we nog moeten afwachten.

In het strafrecht wordt veelvuldig gebruik gemaakt van geheime informanten. Elke regionale politie-eenheid beschikt over een Team Criminele Inlichtingen (TCI). De TCI houdt zich, onder gezag van de TCI-officier van justitie, bezig met het verkrijgen van strafrechtelijk relevante informatie door in contact te treden met (criminele) informanten. Dit wordt ook wel het  runnen van informanten genoemd.  Een informant is volgens de definitie van de Wet Politiegegevens een persoon die heimelijk aan een opsporingsambtenaar informatie verstrekt omtrent strafbare feiten. Ten behoeve van controle, beheer en verantwoording houden de TCI’s een informantendossier bij. Onder de informatie die hierin wordt vastgesteld, vallen de personalia van betrokkenen, de namen van de runners, tijd en plaats van contacten, de inhoud van de criminele inlichtingen die de informant verschaft, redenen van wetenschap, uitbetaalde tipgelden en overige bijzonderheden. Dit worden ook wel TCI journaals genoemd.

Wij menen dat de verdediging de betrouwbaarheid van de feiten in de journaals moet kunnen toetsen. Rechters reageren echter wisselend op het verzoek van de verdediging om  dergelijke TCI-journaals aan het procesdossier toe te voegen. In de fiscale tipgeverszaak werd dit belang door de rechtbank erkend en oordeelde als volgt:

‘Naar het oordeel van de rechtbank bestaat een onlosmakelijk verband tussen de persoon van de tipgever en de door hem verstrekte informatie. Naast de betrouwbaarheid van de informatie heeft eiser er immers belang bij ook zelfstandig de betrouwbaar[heid] van de tipgever te kunnen toetsen. Het standpunt van verweerder dient derhalve te worden verworpen en de naam van de tipgever dient aan eiser bekend te worden gemaakt.’

 Als de rechter beslist dat de betreffende TCI journaals aan het dossier moeten worden toegevoegd dan is de officier van justitie daaraan ook gehouden. De rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld dat bij weigering van de officier van justitie om de TCI journaals in te brengen ondanks een door de raadkamer gegeven bevel, sprake is van een schending van de verhouding tussen de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie die de kern van het wettelijk systeem aantast. Dit verzuim kan niet anders tot gevolg hebben dan niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, aldus de rechtbank. Hiertoe verwijst de rechtbank naar het Karman arrest van de Hoge Raad uit 1999. Eenzelfde lijn was reeds ingezet door het Hof ’s-Gravenhage in een arrest uit 2001. Dit Hof oordeelde daarin ook dat de weigering om stukken in te brengen een zodanige schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde betekende, mede inhoudende een welbewuste verkorting van de belangen van de verdachte en zijn verdediging, dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard.

Ons inziens is de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie het enige antwoord als het niet aan een rechterlijk bevel voldoet; alleen dan kan de trias politica functioneren. Een zelfde gevolg zou ons inziens in de fiscale tipgeverszaak verbonden moeten worden aan het feit dat de Belastingdienst niet voldoet aan een rechterlijke uitspraak. Het is op zijn minst in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, hetgeen ons inziens tot vernietiging van de aanslag zou moeten leiden.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie