#314: Het strafrechtelijk beroepsverbod

Op basis van artikel 28 Wetboek van Strafrecht kan een beroepsverbod als bijkomende straf worden uitgesproken. Dat is een pittige straf. In de wetsgeschiedenis is daarom ook niets voor niets omschreven dat een beroepsverbod is bedoeld als een zware sanctie en dat het daarom niet lichtvaardig mag worden opgelegd. Met andere woorden, alleen als het ‘echt bont is gemaakt’ komt een dergelijke straf aan de orde. Maar wanneer heeft een verdachte het nu echt te bont gemaakt?

In Vaklunch #68 concludeerden we al dat het aantal delicten waarvoor een beroepsverbod kan worden opgelegd sinds 1 april 2010 is uitgebreid. Die delicten betreffen onder andere valsheid in geschrift (artikel 225 e.v. Sr), faillissementsfraude (artikel 340 e.v. Sr) en belastingfraude (artikel 69 AWR). Reeds om die reden dient goed bekeken te worden of de feiten waarover wordt geoordeeld al dan niet voor 1 april 2010 zijn gepleegd. Hoewel dat al een lange tijd geleden is, is het zeker in fraudezaken niet ondenkbaar dat een rechter nu pas over dergelijke feiten oordeelt. In Vaklunch #183 kwam het oordeel van de Hoge Raad aan de orde dat artikel 1 Wetboek van Strafrecht een beroepsverbod voor voornoemde feiten dat is begaan voor 1 april 2010 niet mogelijk is.

Rechtbank Amsterdam oordeelde recentelijk in het vonnis van 18 maart 2019 ook over een zaak waarin het beroepsverbod werd geëist. De zaak draait om een een verdenking van verduistering van gelden van de derdengeldrekening die de verdachte als notaris en de medeverdachte als boekhouder uit hoofde van hun persoonlijke dienstbetrekking onder zich hadden. Deze verdenking is door de rechtbank bewezen verklaard. De rechtbank legt aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van tien maanden alsmede een strafrechtelijk beroepsverbod voor de duur van vijf jaar.

Ten aanzien van het beroepsverbod neemt de Rechtbank de verdachte het specifiek kwalijk dat hij – zoals hij ter zitting heeft toegegeven – onder een andere naam voor een notariskantoor alsnog notariële werkzaamheden heeft verricht in de periode waarin hij zelf als notaris al uit zijn ambt was gezet via een tuchtrechtelijke ontzetting. Hij gaf te kennen daarin zelf geen problemen te zien. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte het laakbare handelen hiervan niet inziet. De rechtbank acht het van belang dat verdachte voorlopig geen notariswerkzaamheden zal verrichten en zal hem dan ook verbieden nog notariële werkzaamheden uit te oefenen. De Rechtbank merkt overigens nog op dat de rechtbank de notaris niet uit zijn ambt zal ontzetten, nu artikel 28 Wetboek van Strafrecht daar geen ruimte voor laat (artikel 103 lid 1 Wet op het notarisambt wel).

Deze notaris was dus al eens op de vingers getikt door de tuchtrechter. Nu de verdachte er geen blijk van heeft gegeven die tik juist te hebben geïnterpreteerd door alsnog werkzaamheden onder een valse naam te verrichten voor een andere notaris, vindt de strafrechter dat er ruimte is voor een beroepsverbod. Zou dat anders zijn geweest indien de verdachte notariële werkzaamheden had verricht onder zijn eigen naam die werden gecontroleerd door een andere notaris? Ons inziens zou in dat geval de eerdere tuchtrechtelijke tik over de vingers wel juist zijn geïnterpreteerd waardoor een beroepsverbod op deze grond niet zonder meer aan de orde is. Uit dit oordeel is echter op te maken dat de rechtbank heeft meegewogen hoe de verdachte met eerdere serieuze signalen dat zijn handelen niet door de beugel kan is omgesprongen. Door zijn eigen naam en daarmee de eerdere tuchtklacht te verdoezelen heeft deze verdachte er geen blijk van gegeven de eerdere tik over de vingers serieus te nemen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

 

Geen reacties

Plaats een reactie