#308: Vrijgesproken door het CBB

De jacht van het Openbaar Ministerie op facilitators is al jarenlang gaande. Daar waar inmiddels financiële instellingen onder het vergrootglas liggen, hebben accountants het ook flink te verduren (gehad). In de praktijk resulteerde dat in strafrechtelijke vervolging gevolgd door de officier van justitie ingediende tuchtklacht bij de accountantskamer. Soms wordt dit middel echter maar al te makkelijk ingezet. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) geeft het Openbaar Ministerie in de uitspraak van 29 januari 2019 een flinke tik op de vingers, omdat het onderzoek van het Openbaar Ministerie – dat ook ten grondslag ligt aan de tuchtklacht – vooringenomen en onzorgvuldig zou zijn.

Het indienen van tuchtklachten tegen accountants die ook strafrechtelijk vervolgd worden gebeurt al enige tijd. Het artikel ‘FIOD en OM azen op laakbare accountant’ van 1 december 2012 maakte het ‘succes’ van het indienen van tuchtklachten voor de FIOD en het Openbaar Ministerie destijds ook duidelijk voor het publiek. Toch blijkt het Openbaar Ministerie soms te gemakkelijk te denken over de vraag of een accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Is hier sprake van tunnelvisie?

In de zaak waarover het CBB besliste in de uitspraak van 29 januari 2019 ging het over een accountant die wordt verdacht van het plegen van (gewoonte)witwassen door een cliënt van het kantoor waar hij werkte. In dat kader zijn verschillende doorzoekingen geweest, waarbij onder meer facturen zijn aangetroffen die verband hielde met een vordering van ruim € 100.000 van de accountant op de betrokken cliënt. In dit kader is een betalingsregeling met de cliënt afgesproken, waarbij verschillende creditfacturen zijn gericht aan verschillende aan die cliënt gerelateerde Nederlandse en buitenlandse vennootschappen. De betrokken accountant wordt door het Openbaar Ministerie verdacht van het opzettelijk opmaken of gebruiken van valse facturen. De tuchtklacht is gebaseerd op deze zelfde verdenking. De klacht luidt dat de accountant heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van integriteit en professioneel gedrag. Uit de uitspraken lijkt overigens te kunnen worden opgemaakt dat de strafrechter zich nog niet over de verdenkingen heeft uitgelaten.

De klacht is door de accountantskamer bij uitspraak van 30 april 2018 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de accountantskamer overwogen dat het Openbaar Ministerie tegenover de weerspreking van de klacht door de accountant, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene valsheid in geschrifte heeft gepleegd bij het gedeeltelijk crediteren van het openstaande bedrag aan facturen. Daarbij heeft de accountantskamer in aanmerking genomen dat de accountmanager van het kantoor die destijds de meeste contacten met de cliënt onderhield en de daaraan bestede uren registreerde, in het strafrechtelijk onderzoek niet is gehoord, hoewel dit wel voor de hand had gelegen. Immers, zijn verklaring kan relevant zijn voor de vraag of de facturen al dan niet vals zijn en of de ‘verdachte’ accountant een verwijtbare rol heeft gespeeld. De accountantskamer heeft voorts overwogen dat appellant evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene bij genoemde verrichtingen anderszins in strijd met de voor hem geldende gedrags– en beroepsregels heeft gehandeld.

Ook het CBB komt tot dezelfde conclusie; de klacht is ongegrond. Daarbij stelt het CBB voorop dat het aan het Openbaar Ministerie is om feiten en omstandigheden te stellen die de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid aantoont. Daarbij overweegt het CBB expliciet dat het tuchtrecht in handen van het Openbaar Ministerie een zwaar middel is en dat van het Openbaar Ministerie in de rol van klager mag worden verwacht dat “op zorgvuldige wijze en zonder vooringenomenheid onderzoek is verricht en dat uit zodanig onderzoek is gebleken van serieuze aanwijzingen dat de betreffende accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld”.

Kennelijk is ook het alternatieve scenario zoals geschetst door de accountant niet door het Openbaar ministerie in onderzoek genomen. Het CBB neemt in aanmerking dat het Openbaar Ministerie het kennelijk – ook na het oordeel van de accountantskamer – niet nodig vond om nader onderzoek te doen. Het CBB overweegt: “Appellant lijkt in het strafrechtelijk onderzoek slechts op zoek te zijn geweest naar informatie ter bevestiging van zijn overtuiging dat betrokkene opzettelijk valse facturen heeft opgemaakt of gebruikt.”

Het Openbaar Ministerie krijgt aldus een flinke tik op de vingers van het CBB. Ons inziens is dat terecht. Niet alleen in strafzaken, maar ook in tuchtzaken die minstens zo’n grote impact op iemands persoonlijke en professionele leven kan hebben mag van het Openbaar Ministerie een gedegen onderbouwing worden verwacht. Dat geldt overigens ook in het bijzonder voor een van de indieners van de klacht, die blijkens zijn titel zelf ook aan het tuchtrecht is onderworpen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je met ons van gedachten wisselen? Neem dan contact op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie