#292: Wachten tot je een ons weegt

Artikel 6 EVRM geeft een verdachte het recht op een openbare zitting binnen een redelijke termijn. Overschrijding van de redelijke termijn wordt volgens jurisprudentie van de Hoge Raad in de regel gecompenseerd met strafvermindering. Het leidt niet tot niet-ontvankelijkheid, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Klare taal van de Hoge Raad, maar rechtbanken lijken zich niet altijd in dit oordeel van de Hoge Raad te kunnen vinden.

In Vaklunch #061 bespraken wij al de uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege een schending van de redelijke termijn omdat een zaak 5,5 jaar onbehandeld was gebleven. In Vaklunch #127 kwam het arrest van het Hof Den Haag aan de orde waarin het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk werd verklaard. Het Hof verwees in deze zaak nadrukkelijk naar het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008. Door de overschrijding van de redelijke termijn was er volgens het Hof niet allen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, maar ook het ondervragingsrecht en de waarheidsvinding konden niet worden gewaarborgd door deze schending. Het Hof oordeelde dat sprake was van een schending van artikel 6 EVRM.

Recent werd een vonnis van de rechtbank Limburg van 23 maart 2018 gepubliceerd. In deze zaak werd het Openbaar Ministerie eveneens niet-ontvankelijk verklaard. De verdenking zag op poging doodslag en subsidiair zware mishandeling. De rechtbank stelt eerst vast dat het tijdsverloop in deze zaak is aan te merken als een overschrijding van de redelijke termijn. Als beginpunt van de redelijke termijn neemt de rechtbank de datum waarop het feit zou zijn gepleegd. Nadien zijn 2 jaar en 11 maanden verstreken. Het eindproces-verbaal was al 2 jaar en 9 maanden gereed. In de tussentijd zijn er geen onderzoekshandelingen verricht. De verdediging heeft de officier van justitie diverse malen gevraagd naar de stand van zaken maar de zaak bleef stil staan.

De rechtbank overweegt dat al deze omstandigheden in aanmerking genomen leiden tot het oordeel dat de verdachte disproportioneel en daarmee onaanvaardbaar lang heeft moeten wachten en dat het openbaar ministerie daarmee haar vervolgingsrecht heeft verspeeld. Het Openbaar Ministerie wordt om die reden niet ontvankelijk verklaard.

Het wachten of je wordt vervolgd trekt een enorme wissel op het leven van een verdachte. Wij menen daarom dat het goed is dat aandacht bestaat voor de belangen van de verdachte. De verdachte simpelweg laten wachten totdat hij een ons weegt zou niet mogen zonder gegronde reden. Wij juichen dit vonnis van de rechtbank dan ook toe. Hoewel deze niet-ontvankelijk verklaringen met name in commune zaken worden uitgesproken dienen dezelfde argumenten te worden gewogen in fraude zaken. Ook in die zaken ligt de pleegdatum en de dag van vervolging mijlenver uit elkaar.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl

Geen reacties

Plaats een reactie