#285: Fiscaal ≠ commuun

De verhouding tussen het fiscale strafrecht en het commune strafrecht is niet altijd even duidelijk. Dat geldt ook voor de wijze waarop dit onderscheid in de wet wordt gemaakt. Artikel 69, lid 4, AWR bepaalt dat in het geval van een fiscaal delict de verdachte niet (ook) mag worden vervolgd voor valsheid in geschrifte als bedoeld in artikel 225, lid 2, Sr. Het gaat dan expliciet om het gebruik maken van een vals document. Het opmaken van een vals geschrift is niet uitgezonderd in artikel 69, lid 4, AWR. Het is echter de vraag of het wel gepast is om via het commune strafrecht te vervolgen als sprake is van een fiscaal delict waarin het gaat om het opmaken van een vals document. Zouden fiscale delicten in zijn algemeenheid niet via het fiscale strafrecht vervolgd moeten worden? In Vaklunch #119, #135 en #171 kwam dit onderwerp al aan de orde. Het recent, op 10 augustus 2018, gepubliceerd vonnis van Rechtbank Amsterdam geeft aanleiding om dit onderwerp nog eens op de agenda te zetten.

De vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, lid 4, AWR is in ons wettelijk systeem gekomen naar aanleiding van een rapportage van de Commissie Van Slooten. Hoewel dit rapport slechts ter inzage heeft gelegen en niet is gepubliceerd, geeft de parlementaire geschiedenis een beeld van wat hierin heeft gestaan. In de memorie van toelichting bij de betreffende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen staat bijvoorbeeld dat een vervolging op grond van artikel 225, lid 2, Sr ook geen recht doet aan de bijzonderheden van het fiscale strafrecht zoals de inkeerregeling en de rol van de fiscus in de vervolging.

De jurisprudentie laat verdeeldheid zien over de reikwijdte van dit de vervolgingsuitsluitingsgrond. Ziet het enkel op artikel 225, lid 2, Sr of kan het eerste lid ook onder de vervolgingsuitsluitingsgrond vallen? Waar Hof Den Bosch in de zaak die aan de orde was in Vaklunch #119 nog een streep zette door de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie voor vervolging op basis van artikel 225, lid 1, Sr, zet Rechtbank Amsterdam in het op 10 augustus 2018 gepubliceerde vonnis wel een streep door vervolging in die situatie en verklaart het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk. De Rechtbank overweegt dat in beginsel voor een fiscaal delict vervolging op basis van 225, lid 1, Sr mogelijk is. Niettemin kunnen gedragingen die onder deze bepaling vallen overeenkomen met gedragingen die onder het tweede lid – waar de uitsluitingsgrond wel voor geldt – vallen. Daarom zijn er situaties denkbaar volgens de Rechtbank waarin vervolging op basis van artikel 225, lid 1, Sr in strijd is met de vervolgingsuitsluitingsgrond.

De Rechtbank overweegt:

“In deze zaak wordt verdachte verweten dat hij onjuiste en valse elektronische aangifteformulieren inkomstenbelasting heeft opgemaakt en ingediend. Deze elektronische aangiften zijn opgemaakt met het enige doel om deze bij de Belastingdienst in te dienen. Het (valselijk) opmaken van deze aangiften gebeurde door deze (onjuiste) aangiften, nota bene met één druk op de knop, bij de Belastingdienst in te dienen. In dit geval gaat het dus om onder het eerste lid tenlastegelegde gedragingen (het opstellen) die volledig samenvallen met de gedragingen zoals bedoeld onder het tweede lid (het indienen). Er bestaat daarom een grond om ten opzichte van het als tweede alternatief/cumulatief tenlastegelegde artikel 225, eerste lid Sr de specialiteit van de Awr aan te nemen.”

Wat ons betreft is deze uitspraak in lijn met hetgeen de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, lid 4, AWR beoogt te beschermen. Fiscale delicten zouden enkel op basis van de AWR vervolgd dienen te worden.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie