#272: Betekeningsperikelen

Vormverzuimen in het opsporingsonderzoek worden veelal met de mantel der liefde bedekt. In diverse Vaklunches schreven we al dat een verdachte in de praktijk over het algemeen geen voordeel heeft van gemaakte fouten in het opsporingsonderzoek en vormverzuimen straffeloos blijven. Vormverzuimen gedurende het strafproces worden daarentegen niet getolereerd. Een voorbeeld hiervan is een recent arrest van het gerechtshof Amsterdam over de betekening van de dagvaarding. De zaak ligt als volgt.

Als een verdachte niet ter terechtzitting verschijnt, onderzoekt de rechter of de uitreiking van de dagvaarding geldig is. De rechter spreekt de nietigheid van de dagvaarding uit als blijkt dat deze niet op geldige wijze is uitgereikt. De hoofdregel in artikel 588 Wetboek van Strafvordering (Sv) is dat een gerechtelijke mededeling – dus ook een dagvaarding – in persoon worden uitgereikt (lid 1). Deze bepaling behelst vervolgens een wettelijke rangorde van betekeningsadressen.

In de onderhavige zaak is door de verdachte tijdens zijn eerste verhoor een postadres opgegeven. Artikel 588a Sv verplicht in bepaalde gevallen tot verzending van een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de (nadere) terechtzitting te verschijnen aan het laatste door hem opgegeven adres. Dit artikel is in de wet gekomen om de verdachte te beschermen en zijn aanwezigheidsrecht te garanderen.

De verdachte is in deze zaak niet verschenen gedurende de behandeling van de zaak in eerste aanleg. Toch heeft de rechtbank de zaak kennelijk behandeld. Hoe de verdachte vervolgens op de hoogte is geraakt van dit vonnis blijkt niet uit de casus. Niettemin heeft hij tijdig hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep bepleit de advocaat van de verdachte dat het onderzoek in eerste aanleg nietig is omdat niet blijkt dat een afschrift van de dagvaarding aan de verdachte op het door hem opgegeven postadres is toegezonden. Het hof overweegt dat inderdaad niet blijkt uit de stukken dat de dagvaarding conform artikel 588a Sv aan het laatst opgegeven adres is toegezonden. Verder overweegt het hof dat zich geen uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel 588a, lid 3, Sv voordoet. In deze bepaling staat dat van verzending van een afschrift worden afgezien als (i) de verdachte het adres opgegeven heeft waarop hij in de Basis registratie personen staat ingeschreven, (ii) de verdachte uitdrukkelijk te kennen gegeven heeft een eerder opgegeven adres niet te willen handhaven, en (iii) de dagvaarding of oproeping is inmiddels aan de verdachte in persoon dan wel aan een door hem gemachtigde uitgereikt.

Het hof overweegt dat dit verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. Nu de advocaat van de verdachte heeft verzocht om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank gaat het Hof hiertoe over.

Wij kunnen ons goed voorstellen dat de verdachte heeft gevraagd om een terugwijzing. Zou de verdachte instemmen met behandeling door het hof, dan zou de verdachte een feitelijke instantie die over zijn zaak oordeelt missen. Door deze gang van zaken wordt de redelijke termijn van de procedure wel flink overschreden. Dit leidt in de regel echter niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Hierover schreven wij ook in Vaklunch #061. Ons inziens is dit een onwenselijke en onredelijke situatie. Door de onjuiste betekening van de dagvaarding en het uitblijven van een beslissing van de rechtbank hierover, verkeert de verdachte lange tijd in onzekerheid. Wij zouden menen dat de verdachte hierin tegemoetgekomen dient te worden. Het blijft dan ook aan de advocatuur daarom te verzoeken en kritisch te blijven op dergelijke betekeningsperikelen.

Mocht je vragen hebben over het voorgaand of van gedachten willen wisselen met ons, neem dan contact op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie