#268: Transparantie versus TCI informatie

Elke regionale politie-eenheid beschikt over een Team Criminele Inlichtingen (TCI), de opvolger van de Criminele Inlichtingeneenheid (CIE). De TCI houdt zich, onder gezag van de TCI-officier van justitie, bezig met het verkrijgen van strafrechtelijk relevante informatie door in contact te treden met (criminele) informanten, het zogenaamde runnen van informanten. Een informant is volgens de definitie van de Wet Politiegegevens een persoon die heimelijk aan een opsporingsambtenaar informatie verstrekt omtrent strafbare feiten. Heimelijk houdt in dat aan anderen dan de TCI-ambtenaren en de TCI-officier van justitie niet bekend is dat deze persoon de politie van informatie voorziet en dat buiten deze kring ook de identiteit van de bron van concrete informatie niet bekend wordt gemaakt. Hoe krijg je als verdediging nu grip op (de betrouwbaarheid van) deze informatie?

De informatie die afkomstig is van informanten wordt opgetekend in interne stukken van de TCI, de zogenaamde journaals. De informatie van de informant wordt vervolgens, na een interne toetsingsprocedure en eventueel aangevuld met andere politiegegevens (“veredeling”), op een afgeschermde manier verstrekt aan de tactische recherche door middel van TCI processen-verbaal. De veredeling het voor zover als mogelijk verifiëren (of falsificeren) van de informatie geschiedt aan de hand van allerlei open en gesloten bronnen.

Door het OM mag TCI-informatie slechts gebruikt worden om een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 Sv aan te nemen en vervolgens een onderzoek te starten (startinformatie) of om in een lopend onderzoek richting te geven (sturingsinformatie). Bewijs zal gevonden moeten worden in de resultaten van het onderzoek waarin de CIE-informatie een rol heeft gespeeld.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat in beginsel een verdenking kan worden aangenomen op basis van TCI-informatie. Of uitsluitend op grond van een anonieme melding een verdenking mag worden aangenomen is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het moet dan gaan om een concrete (tamelijk gedetailleerde) melding waarin wordt aangeduid welk strafbaar feit is of wordt begaan. De Hoge Raad heeft daarnaast overwogen dat ook de inzet van dwangmiddelen gebaseerd kan worden op CIE-informatie (waarvan de betrouwbaarheid niet kan worden beoordeeld), mits de betreffende informatie voldoende concreet en specifiek is.

Er bestaan mogelijkheden om de rechtmatigheid van TCI-informatie te toetsen. Het toetsen van de rechtmatigheid van door de TCI verkregen informatie kan door het horen van een (rechtmatigheids) getuige. Een rechtmatigheidsgetuige in dit verband is een getuige die iets kan verklaren over de vraag of de TCI rechtmatig is opgetreden. Aan een dergelijke getuige worden echter ook wel vragen gesteld die zien op de betrouwbaarheid van de informant en de door hem verstrekte informatie. In dit verband wordt veelal het Hoofd TCI gehoord.

Dit kan door het horen van een rechtmatigheidsgetuige of in enkele gevallen het horen van de runner of zelfs de informant. Onder omstandigheden kunnen ook interne stukken van de TCI worden toegevoegd aan het dossier. Het horen van een (rechtmatigheids)getuige wordt echter minder ingrijpend geacht.

Van de verdediging mag gevergd worden dat deze indicaties aanreikt omtrent enige in het onderzoek plaatsgevonden hebbende onrechtmatigheid. En hier zit ook direct het probleem. Gelet op de heimelijkheid van de informatie heeft de verdediging nauwelijks mogelijkheden om indicaties van onrechtmatigheid aan te nemen. Wij zou menen dat de verdediging in staat gesteld zou moeten worden om tenminste de wijze waarop de informatie is verkregen dient te kunnen toetsen. In deze wereld waar transparantie het kern woord lijkt te zijn mag dit ook van een overheid worden verwacht.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie