#263: Collateral damage

In beginsel wordt het strafrechtelijk onderzoek in het geheim uitgevoerd. Het onderzoek heeft geen baat bij ‘pottenkijkers’ is de achterliggende gedachte. Zeker de verdachte wordt als een dergelijke pottenkijker beschouwd. Strafrechtadvocaten in den lande zullen het erover eens zijn dat het niet zonder meer eenvoudig is om in een vroeg stadium van het onderzoek de beschikking te krijgen over de processtukken. Dat sprake is van inequality of arms tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte als het gaat om onderzoeksinformatie, staat als een paal boven water. En het blijft dan een bijzondere gewaarwording dat het Openbaar Ministerie in voorkomende gevallen met alle gemak van de wereld informatie uit het strafrechtelijk onderzoek deelt met een derde partij: het slachtoffer.

In Vaklunch #003 besteedden wij al aandacht aan de steeds sterker wordende rol van het slachtoffer in het strafproces. Hoewel de wetgeving rondom het slachtoffer lijkt te zijn geschreven voor andere delicten dan fraudezaken, weten ook ‘slachtoffers’ in fraude zaken artikel 51b Wetboek van Strafvordering – op basis waarvan processtukken aan het slachtoffer kunnen worden verstrekt – te vinden.

In de recente vordering tot cassatie in het belang der wet van 6 maart 2018 beoogt de advocaat-generaal duidelijkheid te verkrijgen over het recht van een slachtoffer op kennisneming van processtukken als bedoeld in artikel 51b Sv, specifiek voor het geval waarin (nog) geen vervolging is ingesteld. In dat geval is volgens de wettelijke omschrijving geen sprake van processtukken en aldus geen basis om informatie te verstrekken ex artikel 51b Sv. De minimum informatierechten als opgenomen in artikel 51ac Wetboek van Strafvordering zijn niet voldoende volgens de advocaat-generaal. Inzage in de processtukken is volgens de advocaat-generaal bijvoorbeeld van belang voor het slachtoffer teneinde te bepalen of een zogenaamde artikel 12 Sv procedure kan worden opgestart.

Opmerkelijk is dat in het betoog van de advocaat-generaal het belang van de verdachte niet aan de orde komt. Wellicht is dat veroorzaakt doordat in de onderhavige zaak (nog) geen verdachte is aangewezen. Maar juist een vordering tot cassatie in het belang der wet leent zich ook voor een oordeel over verstrekking van informatie aan slachtoffers in relatie tot bescherming van het belang van de verdachte.

In Vaklunch #003 wezen wij er al op dat de rechten van een verdachte disproportioneel geschaad kunnen worden als een slachtoffer de beschikking krijgt over informatie uit het dossier. Juist bij het slachtoffer spelen – begrijpelijkerwijs – emoties. En de praktijk leert dat die emoties ertoe kunnen leiden dat een slachtoffer de stukken op oneigenlijke wijze gebruikt. In de regel tekent het slachtoffer dat stukken verkrijgt op basis van artikel 51b Wetboek van Strafvordering (slechts) op verzoek van de Officier van Justitie een geheimhoudingsverklaring, op basis waarvan hij de processtukken niet aan derden mag verstrekken en enkel mag gebruiken voor het voorbereiden van een claim als benadeelde partij. Maar wat is de consequentie als het slachtoffer zich niet aan deze afspraak houdt? Het zal niet voor het eerst zijn dat een slachtoffer – zeker in fraude zaken – processtukken deelt met bijvoorbeeld de media met alle schadelijke gevolgen van dien. Collateral damage bij de uitoefening van de rechten van het slachtoffer?

De verdachte is onschuldig tot het tegendeel bewezen is. Maar in het echte leven gelden andere regels. Daarin is de media sterker en schadelijker dan de onschuldpresumptie. Heeft het Openbaar Ministerie hier voldoende oog voor? Of komt het soms wel goed uit?

De verdachte staat vervolgens met lege handen. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan het Openbaar Ministerie op basis van artikel 359a Sv niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat geldt ook voor de bruikbaarheid van het bewijs uit het dossier. Ondertussen kunnen bijvoorbeeld wel getuigen worden beïnvloed door berichtgeving in de media of wellicht door rechtstreeks contact met het slachtoffer. Als bewezen kan worden dat de getuige is beïnvloed zal dat effect hebben op de betrouwbaarheid van die getuige en aldus de bewijswaarde van de verklaring. Maar het bewijzen van dergelijke beïnvloeding is evenmin eenvoudig.

Wat ons betreft kan de wetgeving rondom de positie van het slachtoffer alleen maar versterkt worden als gelijktijdig de positie van de verdachte wordt versterkt. Bijvoorbeeld door het schenden van de geheimhoudingsplicht door het slachtoffer strafbaar te stellen en ook op te treden tegen dergelijke schendingen. Het nalaten daarvan druist ons inziens in tegen wat van een redelijk handelende overheid mag worden verwacht en zou gevolgen moeten hebben voor de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

1 Comment
  • ruud van der Werrf

    5 april 2018 at 18:20 Beantwoorden

    nou ik ben ook een slachtoffer , tot drie maal toe ben ik inmiddels geslachtofferd

    de ene advocaat zet een val op , en mijn advocaat als ook de betreffende raadsheer stappen er beiden met open ogen in de val ( wat een stelletje slapers )

    ben nu van plan aangifte te gaan doen wegens proces bedrog

    ook het OM bedrijft in deze case ook bedrog.. , heerlijk nietwaar ?

    het is met mekaar een hoogstandje qua rechts bescherming

    wordt in elk geval vervolgd.

    denk dat ik de raadsheer maar ga verzoeken om een getuigenverklaring af te leggen, want diegeen die de val heeft opengezet, zegt zich van geen kwaad bewust te zijn.

    mijn advocaat die met open ogen in de val is gelopen, heeft net bij de deken 3 weken uitstel van reactie gevraagd en gekregen.

Plaats een reactie