#262: Opzet en medeplegen

Tegenwoordig worden conclusies van advocaten-generaal gepubliceerd voordat de Hoge Raad arrest wijst. Een conclusie van mr. A.E. Harteveld trok onze aandacht. In deze zaak zijn twee middelen ingediend; een over medeplegen en een over opzet. Twee leerstukken die centraal staan in de dagelijkse strafrechtpraktijk. Het kan dan ook geen kwaad om deze onderwerpen weer eens onder de aandacht brengen.In deze zaak is de verdachte door het Hof veroordeeld voor medeplegen van opzetheling. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte achterop een scooter heeft gezeten. Aangezien op dat moment duidelijk zichtbaar was, zo verklaarde de verdachte ook, dat de kappen ter hoogte van het stuur waren verwijderd en dat de bedrading los was heeft de verdachte bewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat de scooter was gestolen volgens het Hof. Immers blijkt ook uit de verklaring van de verdachte dat hij deze betreffende staat van de scooter heeft waargenomen. Door achterop de scooter te gaan zitten heeft hij vervolgens de gestolen scooter voorhanden gehad.

In het cassatiemiddel is gesteld dat geen bewijs is aangedragen door het Hof waaruit volgt dat sprake was van een gezamenlijk plan, een bewuste samenwerking of een gezamenlijke uitvoering. Zoals uit het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2014 blijkt is pas van medeplegen sprake indien de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Hierover schreven wij ook in Vaklunch #162.

De advocaat-generaal erkent in zijn conclusie dat het Hof niet is ingegaan op de bijdrage die de verdachte heeft geleverd aan de samenwerking. Dit kan volgens de advocaat-generaal echter niet tot cassatie leiden omdat het achterop de scooter zitten door de verdachte voldoende is om te stellen dat de verdachte de scooter voorhanden heeft gehad en de verdachte dus in zoverre als pleger kan worden aangemerkt. Dit is ook conform de jurisprudentie van de Hoge Raad. Uit deze jurisprudentie volgt dat het achterop zitten op een scooter voldoende is om aan te nemen dat diegene het vervoermiddel gebruikt en het daarom voorhanden had in de zin van artikel 416 Wetboek van Strafrecht (opzetheling). Nu het in ‘tezamen en in vereniging’ begaan van het misdrijf geen strafverzwarende omstandigheid is voor heling heeft de verdachte geen belang bij een gegrond verklaring van het cassatieberoep volgens de advocaat-generaal.

Voor de bewezenverklaring van opzet ligt dit anders. De advocaat-generaal merkt terecht op dat uit de enkele waarneming van de verdachte dat de kappen ter hoogte van het stuur van de scooter waren verwijderd en dat de bedrading los was geen voorwaardelijk opzet kan worden bewezen. De verdachte kan bijvoorbeeld ook gedacht hebben dat de medeverdachte de scooter aan het repareren was. Bewijs voor opzet volgt daar niet zonder meer uit. Wij kunnen ons goed vinden in deze constatering.

Of de Hoge Raad ook dit oordeel zal volgen moet nog blijken. Ons inziens zou dat een juiste conclusie zijn. Wij kijken uit naar het arrest van de Hoge Raad.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie