#248: Is een eigenwijs Hof opportuun?

Het opportuniteitsbeginsel is een terugkerend onderwerp op vaklunch.nl. Heel recent schreven wij in Vaklunch #245 nog  over dit beginsel. In dit artikel bespraken wij een arrest van de Hoge Raad waarin kritisch werd getoetst of het Hof de juiste maatstaf had aangelegd bij de beoordeling van de vraag of het Openbaar Ministerie tot vervolging had mogen overgaan. Maar wat als het Openbaar Ministerie zelf vindt dat het niet ontvankelijk is in haar vervolging. Is het dan nog opportuun om tot een strafrechtelijke veroordeling te komen?

Het Openbaar Ministerie beslist in beginsel of een verdachte vervolgd moet worden. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie omdat vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Dit is blijkens voornoemd arrest het geval indien ‘geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kon zijn, zodat sprake zou zijn van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat de (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur’. Hiervan is niet snel sprake.

Het gebeurt ook niet snel dat het Openbaar Ministerie in navolging van een verweer van de verdediging alsnog ter zitting tot het inzicht komt dat het niet tot vervolging over had moeten gaan. Toch komt het wel eens voor. Bijvoorbeeld ter terechtzitting op 21 april 2016 bij het Hof in Den Haag. Tijdens deze zitting requireerde de advocaat-generaal tot een niet ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie. In lijn met het verweer van de verdediging vond de advocaat-generaal dat een behoorlijk vervolgingsbeleid meebrengt dat gekozen had moeten worden voor een waarschuwing of een sepot met verwijzing naar de civielrechtelijke procedure die had plaatsgevonden in deze zaak.

Het hof stelt voorop dat in artikel 167 eerste lid, Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Het Hof concludeert echter dat de door de verdediging geschetste omstandigheden naar het oordeel van het Hof niet meebrengen dat de Officier van Justitie niet in redelijkheid tot een vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen.

In cassatie wordt door de verdediging gesteld dat indien het Openbaar Ministerie zelf requireert tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie artikel 167 Sv met zich brengt dat het gerechtshof dit oordeel behoort te volgen. De Hoge Raad oordeelt simpelweg dat deze opvatting geen steun vindt in het recht. Dit is wellicht ook in lijn met artikel 266, lid 1, Wetboek van Strafvordering waarin is bepaald dat zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, de Officier van Justitie de dagvaarding kan intrekken. Ofwel op het moment dat de terechtzitting is aangevangen dan is het aan de rechter om haar oordeel te vellen, zelfs over opportuniteitsvraagstukken. Wij menen dat het moeilijk is te verkroppen dat als een Openbaar Ministerie zelf meent dat zij niet tot vervolging had mogen overgaan een Hof hier geen gehoor aan geeft.

Voor ons benadrukt dit arrest dat het van belang is om je argumenten in een vroeg stadium kenbaar te maken: bewaar niet al je verweren tot aan de zitting maar breng het al voor de zitting naar voren. Als de niet-ontvankelijkheidsverweren in deze zaak in een vroeg tijdig stadium met de advocaat-generaal waren gedeeld, dan was een dagvaarding wellicht uitgebleven of ingetrokken.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie