#245: Wat is opportuun?

Soms voelt het voor een verdachte niet opportuun dat hij wordt vervolgd; hij heeft het niet (expres) gedaan, hij kon niet anders of het is geen ernstig feit. Het komt er vaak op neer dat een vervolging voelt als ‘niet eerlijk’. Het is aan de advocaat van de verdachte om te bepalen of dat gevoel van oneerlijkheid ook vertaald kan worden naar een juridisch ontvankelijkheidsverweer. Ontvankelijkheidsverweren worden vaak gevoerd in het kader van ernstige vormverzuimen. Maar het komt ook voor dat de vervolging in strijd wordt geacht met de beginselen van een goede procesorde. In een heel enkel geval wordt het Openbaar Ministerie – ondanks het opportuniteitsbeginsel – in verband met een schending van de goede procesorde toch niet-ontvankelijk verklaard.

Het opportuniteitsbeginsel is vastgelegd in artikel 167 Sv. Daarin is opgenomen dat Indien naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek het Openbaar Ministerie van oordeel is dat vervolging moet plaats hebben, door het uitvaardigen van een strafbeschikking of anderszins, gaat het daartoe zo spoedig mogelijk over’. Op gronden van algemeen belang kan het Openbaar Ministerie van vervolging afzien. Het Openbaar Ministerie beslist dus in beginsel wanneer wordt vervolgd. De Hoge Raad heeft eerder al overwogen dat in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijk verklaring het Openbaar Ministerie omdat vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Van dergelijke gevallen is niet snel sprake.

Recent besteedden wij al aandacht aan de uitspraak van Rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2017  waarin de Rechtbank oordeelde dat de verdachte op basis van de gevoerde correspondentie met het Openbaar Ministerie de verdachte mocht verwachten dat hij voor een bepaald strafbaar feit niet vervolgd zou worden, maar voor de overtredingsvariant. Doordat het Openbaar Ministerie alsnog het misdrijf ten laste had gelegd is het bezwaar tegen de dagvaarding gegrond verklaard. In dit geval werd het Openbaar Ministerie niet niet-ontvankelijk verklaard, maar de verdachte werd buiten vervolging gesteld. Het is dus duidelijk dat het Openbaar Ministerie zich aan de beginselen van een goede procesorde moet houden en niet in strijd met het vertrouwensbeginsel mag handelen.

Dit was ook aan de orde in het arrest dat de Hoge Raad wees op 31 oktober 2017 . In deze zaak werd duidelijk dat het Openbaar Ministerie het algemeen belang dient te betrekken bij de vervolgingsbeslissing. Het draaide hier om de vervolging van een TBS patiënt die een reclasseringsmedewerkster had bedreigd. Het Hof had het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard gelet op de ruime tijd die was verstreken tussen het moment dat aangifte is gedaan van de vermeende bedreiging en de dagvaarding van de verdachte. Gelet op de geringe omvang van het dossier en de persoon van de verdachte had meer voortvarendheid betracht moeten worden. Daarnaast is in eerste instantie besloten dat geen gevolg zou worden gegeven aan de aangifte, zodat ook het gewekte vertrouwen bij de verdachte een rol speelt bij de belangenafweging. Ook het feit dat de vervolgingsbeslissing een enorme impact heeft gehad op de verdachte speelde volgens het Hof een rol; het traject dat was ingezet om voor verdachte, na bijna twintig jaar in een TBS-kliniek, een ander behandeltraject te zoeken heeft erdoor zo’n anderhalf jaar stilgelegen. Ook de omstandigheden dat de vermeende bedreiging plaatsvond in een afdeling waar de verdachte zich niet veilig of prettig voelde speelt volgens het hof een rol.

Het Openbaar Ministerie is tegen die beslissing in cassatie gegaan. De Hoge Raad is kritisch op de toets die het Hof heeft aangelegd. Uit het oordeel van het Hof blijkt namelijk niet dat het heeft getoetst of ‘geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kon zijn, zodat sprake zou zijn van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat de (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur’. De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Hof.

Deze zaak leert ons in ieder geval om niet-ontvankelijkheidsverweren in gevallen van schending van de behoorlijke procesorde in te kleden naar de juiste maatstaf, zodat de rechter wordt geprikkeld zijn beslissing in die sleutel op te schrijven. Overtuiging van het Hof dat vervolging niet op z’n plaats is, is één ding. Het juridisch juiste oordeel verkrijgen een andere.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie