#240: Grenzen aan valsheid in geschrift

Het Openbaar Ministerie (b)lijkt dol te zijn op artikel 225 Wetboek van Strafrecht, waarin valsheid in geschrifte strafbaar is gesteld. Menig fiscaal delict wordt met behulp van dit commune delict geprobeerd aan te pakken bij wijze van vangnetbepaling. Ook processtukken blijken niet veilig. Zo vervolgende het Openbaar Ministerie een verdachte voor het afleggen van een valse verklaring op basis van artikel 225 Sr. Ook werd op basis van artikel 225 Sr een bezwaarschrift tegen een aangiftebiljet aangepakt. Gelukkig fluiten rechters het Openbaar Ministerie terug.

In het vonnis van 29 september 2017  oordeelde Rechtbank Midden-Nederland over de vervolging van de verdachte voor bij haar verdachtenverhoor een valse verklaring af te leggen en/of door die verklaring vervolgens te ondertekenen’. Een wonderlijke vervolging. Immers, de verdachte is niet verplicht te antwoorden. Evenmin is de verdachte verplicht de waarheid te spreken. De rechter maakt dan ook korte metten met deze vervolging. Volgens de rechter is het vervolgen van een verdachte voor het afleggen van een onjuiste verklaring in strijd met het pressieverbod van artikel 29 Wetboek van Strafvordering. Het zou immers de verdachte de mogelijkheid ontnemen een verklaring af te leggen die al dan niet in strijd is met de waarheid. Het Openbaar Ministerie wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte.

De officier van justitie in deze zaak heeft overigens bepleit dat de verklaring als getuigenverklaring is gebruikt in de zaak van een medeverdachte en dat om die reden wel voor valsheid in geschrift zou kunnen worden vervolgd. De rechter heeft overwogen dat er geen enkel aanknopingspunt is dat de verdachte een getuigenverklaring heeft afgelegd, laat staan dat verdachte zich daar bewust van was.

Dat valsheid in geschrift ook in het geval van fiscale delicten door het Openbaar Ministerie wordt ingezet constateerden wij al in vaklunch #227 . In de vaklunch van vorige week  vroegen wij al aandacht voor het arrest van 3 oktober 2017 waarin de Hoge Raad het Openbaar Ministerie dat de valsheid van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag ten laste had gelegd terugfluit. In het bewuste bezwaarschrift is een verzoek opgenomen aan de inspecteur om een eerder opgelegde aanslag te heroverwegen, omdat de belastingplichtige in dat jaar geen looninkomsten heeft genoten. Het Hof heeft geoordeeld dat het bezwaarschrift een bewijsmiddel is om de omvang van de looninkomsten te bepalen.

Dat oordeel volgt de Hoge Raad niet. De Hoge Raad overweegt dat aan een bezwaarschrift ‘in het maatschappelijk verkeer niet een zodanige betekenis voor het bewijs van de inhoud ervan pleegt te worden toegekend dat daaraan een bewijsbestemming in de zin van art. 225 Sr toekomt’. De Hoge Raad grijpt daarmee terug naar het arrest van 28 juni 2016 , waarin is geoordeeld dat een niet binnen de termijn ingediend aangiftebiljet niet kan gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte in de zin van de belastingwet. Hierover schreven wij al in vaklunch #178. Aldus kan een bezwaarschrift dat is ingediend tegen een belastingaanslag – daarmee heeft de inspecteur bij de oplegging van de aanslag dus geen rekening kunnen houden – evenmin als bewijs worden beschouwd om de omvang van de heffing te bepalen.

Ondanks dat artikel 225 Sr soms als vangnetbepaling lijkt te (kunnen) worden ingezet, blijkt uit deze zaken dat een verweer daartegen niet zonder meer kansloos is.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie