#218: Schitteren door afwezigheid

Iedere verdachte heeft het recht aanwezig te zijn bij zijn eigen berechting. Hoewel niet iedere verdachte geadviseerd zal worden van dat recht gebruik te maken, is het wel een fundamenteel mensenrecht in de zin van artikel 6 EVRM. De achterliggende reden is dat de verdachte zichzelf moet kunnen verdedigen en wordt berecht in zijn aanwezigheid. Het zal de rechter(s) ter zitting ook zeker niet ontgaan indien de hoofdrolspeler niet aanwezig is. De redenen van afwezigheid moeten in een dergelijk geval goed onderzocht worden. Het klinkt als een open deur, maar toch blijkt het in de praktijk niet altijd eenvoudig. Hoe fundamenteel is dit recht nu en wat is de consequentie als het niet gewaarborgd wordt?

Hoewel het gaat om een fundamenteel recht, is in de jurisprudentie uitgemaakt dat het aanwezigheidsrecht niet absoluut is. Het belang van de verdachte om aanwezig te zijn ter terechtzitting moet worden afgewogen tegen het belang van de ‘behoorlijke strafrechtspleging’. Indien het laatstgenoemde belang zwaarder weegt kan gerechtvaardigd een inbreuk worden gemaakt op het aanwezigheidsrecht. In de praktijk speelt deze discussie bijvoorbeeld indien de verdachte door ziekte verhindert is bij de zitting aanwezig te zijn, maar geen afstand heeft gedaan van zijn afwezigheidsrecht. In een dergelijk geval kan de gemachtigde raadsman een aanhoudingsverzoek doen. Dat de rechter geen onredelijke eisen aan de onderbouwing van het verzoek – zoals het verlangen een medische verklaring over te leggen terwijl de verdachte eerst op de ochtend van de zitting ‘doodziek’ wakker werd en niet kon lopen – heeft de Hoge Raad recent nog beslist.

Maar het Openbaar Ministerie kan de deksel ook harder op de neus krijgen. De van diefstal verdachte betrokkene had al herhaaldelijk via zijn raadsman te kennen gegeven aanwezig te willen zijn bij de terechtzitting in hoger beroep. Van belang is dat de verdachte tijdens de zitting in eerste aanleg ook niet aanwezig was, hij was gedetineerd in het buitenland. Hoewel het arrest daar niet duidelijk over is, is de verdachte kennelijk bij verstek zonder aanwezigheid van een advocaat veroordeeld. Het Openbaar Ministerie had volgens de raadsman destijds niet voldoende onderzocht of de verdachte ter zitting aanwezig kon zijn. Vervolgens is hoger beroep ingesteld. De behandeling daarvan was gepland op 30 juni 2016, niettemin is de verdachte een week voor de zitting uitgezet naar Algerije. De advocaat-generaal heeft daar geen boodschap aan en neemt het standpunt in dat niet (tijdig) een aanhoudingsverzoek is gedaan. Ook zou niet ondubbelzinnig uit het dossier blijken dat de verdachte ter zitting aanwezig wilde zijn. Hof Amsterdam oordeelt echter dat wel degelijk uit het dossier blijkt dat de raadsman in verschillende stadia van het proces ook richting het Openbaar Ministerie kenbaar heeft gemaakt dat zijn cliënt aanwezig wilde zijn bij de zitting. Mede gelet op deze inspanningen is het aan het Openbaar Ministerie te wijten door toch over te gaan tot het aanbrengen van de zaak dat de verdachte zijn recht op basis van artikel 6 EVRM niet kon uitvoeren. Het Hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk.

Het was wellicht anders geweest als niet duidelijk was dat de verdachte zijn aanwezigheidsrecht wilde uitvoeren. Onder meer uit het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2017 blijkt dat indien niet expliciet wordt kenbaar gemaakt aanwezig te willen zijn of dat duidelijk te maken door een verzoek tot aanhouding van de zitting te doen, kan worden aangenomen dat de verdachte niet ter zitting wenst te verschijnen. In deze specifieke zaak steunt dit oordeel op de enkele mededeling van de bode dat de advocaat en de verdachte niet aanwezig willen zijn, zoals is opgenomen in het proces-verbaal. De wereld op z’n kop? De advocaat-generaal was het hier ook niet mee eens. In zijn conclusie schrijft mr. Knigge dat de appeldagvaarding niet aan de verdachte in persoon is betekent, maar aan de advocaat. De advocaat zou ook de voorzitter van het Hof hebben ingelicht dat zij bij de zitting van een andere cliënt aanwezig moest zijn op hetzelfde moment. Volgens Knigge had het Hof aldus niet uit de mededeling van de bode kunnen afleiden dat de verdachte zijn aanwezigheidsrecht prijs gaf. De Hoge Raad vindt het oordeel van het Hof gelet op de mededeling van de bode echter niet onbegrijpelijk.

Op het oordeel van de Hoge Raad is het nodige aan te merken, niettemin maakt het maar weer eens helder dat het raadzaam is helder te communiceren met rechtbank of hof dat je cliënt niet aanwezig kan zijn bij de zitting, maar zijn aanwezigheidsrecht niet prijsgeeft. Het is aan de verdediging de rechtbank of het hof goed voor te lichten over de belangen die een rol spelen, zodat het kennelijk van nature zwaarwegende belang van de strafrechtspleging de belangen van de cliënt niet zomaar doen ondersneeuwen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie