#214: Wilt u het kort houden?

Of er ooit onderzoek is gedaan naar de top 10 ergernissen van rechters is ons niet bekend, maar wij vermoeden dat ‘lange pleidooien’ hoog op een dergelijke lijst zou scoren. Dat wat het moment suprême voor vele advocaten (en hun cliënten) zal zijn, is voor de rechter soms een doorn in het oog. De vraag ‘wilt u het kort houden’ zal menig advocaat niet vreemd in de oren klinken. En die vraag is (heus) niet altijd ingegeven door de reputatie van de advocaat in kwestie. De rechter van tegenwoordig heeft het druk. Targets moeten worden gehaald en er is een planning waar men zich graag aan wil houden. Bij de verdachte bekruipt dan het gevoel dat hij niet gehoord wordt en dat de rechter eigenlijk al zijn oordeel klaar heeft. Kortom, een spanningsveld tussen de verschillende procespartijen. Maar mag de rechter de spreektijd van de advocaat ter zitting beknotten?

De wet zegt niets over de duur van een pleidooi. Het bestuursrecht en het civiele recht kennen de nodige schriftelijke rondes voordat het tot een zitting komt. De juridische standpunten zijn over en weer dus al gewisseld. Het pleidooi leent zich dan dus bij uitstek voor een korte en krachtige boodschap. Daar komt het aan op het overtuigen van de rechter. In het bestuursrecht is het dan ook niet vreemd dat de advocaat in de uitnodiging voor de zitting al wordt verzocht het kort te houden. Uit het leven gegrepen: ‘De rechtbank begint de zitting met het stellen van vragen. Alleen als dat echt nodig is, bijvoorbeeld omdat er belangrijke nieuwe ontwikkelingen zijn, krijgen partijen aan het begin van de zitting maximaal vijf minuten het woord. Het is dus niet de bedoeling dat u een pleitnotitie opstelt.’ De laatste zin hebben wij overigens niet zelf vet gedrukt. Dat heeft de Rechtbank in kwestie gedaan.

De ergernis van ‘lange pleidooien’ lijkt diep te zitten. Toch leert de ervaring dat rechters – ook in een zitting voorafgaand aan een dergelijke uitnodiging – wel degelijk geïnteresseerd zijn in het pleidooi. Ook als dat de maximale vijf minuten in een veelvoud overschrijdt. Met name indien vooraf duidelijk wordt gemaakt dat het pleidooi geen herhaling bevat, maar voor het oordeel relevante argumentatie. Ook het op schrift overleggen van het pleidooi kan dan op sympathie rekenen (in ieder geval bij de griffier). Uiteraard is het geen garantie voor succes, dat zal pas uit het eindoordeel blijken. Niettemin levert het een bijdrage aan het rechtsgevoel van de rechtszoekende; hij voelt zich gehoord.

Schriftelijke rondes kent het strafrecht niet. Het onderzoek van de zaak vindt plaats ter zitting. Hoewel wij menen dat de verdediging er in veel zaken goed aan doet voorafgaand aan de zitting de rechters schriftelijk te informeren over de visie van de verdediging – om op die manier enig tegenwicht te bieden aan het partijdige (FIOD) dossier – vindt het moment suprême in het strafrecht wel degelijk plaats ter zitting. Hoewel in het moderne strafvordering het zwaartepunt zal wijzigen, ligt het zwaartepunt van de zaak onder het huidige wetboek van strafvordering nog ‘gewoon’ ter zitting. Om de responsieplicht van de rechter te activeren moeten alle argumenten in het strafrecht ook ter zitting worden gevoerd (artikel 359, lid 2, Sv). Het past daarbij niet om de verdediging terug te fluiten als het gaat om het nemen van tijd om de argumenten à décharge naar voren te brengen. Dit is onlangs ook opnieuw bevestigd door de Hoge Raad. In het arrest van 21 maart 2017 oordeelde de Hoge Raad over een Antilliaanse zaak waarin de voorzitter van het Hof de raadsvrouw onderbreekt ‘tijdens het voeren van het woord tot verdediging en verzoekt haar om haar pleitnota waar mogelijk voor wat betreft met name de citaten uit verklaringen in de kern samen te vatten’. Dat kan volgens de Hoge Raad niet door de beugel en verwijst daarbij naar een eerder arrest van 26 mei 2015. In dat arrest overwoog de Hoge Raad: ‘De raadsman van de verdachte die overeenkomstig art. 311, tweede lid, Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv het woord voert, heeft in beginsel het recht daarbij aan te voeren wat hem in het belang van de verdediging dienstig voorkomt. Deze regel is van zo grote betekenis dat niet-nakoming daarvan in het algemeen leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting. (Vgl. HR 23 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9251, NJ 1993/696.)’. In aanmerking genomen dat het Hof kennelijk beperkte tijd had uitgetrokken voor de behandeling van de zaak, daarover geen mededeling had gedaan aan de procespartijen en de advocaat-generaal wél in de gelegenheid had gesteld het schriftelijke requisitoir in het geheel voor te dragen heeft de Hoge Raad tot het oordeel doen komen dat de zaak naar het Hof moet worden teruggewezen.

Hoewel het mede in het belang van je cliënt raadzaam is rechters niet onnodig te ergeren met lange pleidooien, zijn er grenzen. De verdediging moet gelegenheid krijgen de verdediging te voeren zoals die hem voorkomt. En terecht.

Heb je vragen het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

1 Comment
  • H.J. Hoegen Dijkhof

    26 april 2017 at 11:05 Beantwoorden

    Heel fraai.

Plaats een reactie