#211: Voorwaardelijke opzet motiveren blijft lastig

In de jurisprudentie is de afgelopen tijd een heel aantal zaken voorbij gekomen waarin belastingadviseurs zijn veroordeeld voor het onjuist opvoeren van aftrekposten in de aangiften van anderen. Een recent voorbeeld is het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2017. Een 60-jarige belastingadviseur wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk voor het meermaals doen van onjuiste aangiften. Tevens krijgt hij een beroepsverbod van drie jaar. Een fikse straf, zeker omdat het bewijs van opzet in dit vonnis ons inziens de toets der kritiek niet kan doorstaan.

De betreffende belastingadviseur wordt verdacht van het indienen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting voor zijn klanten. Hij zou ten onrechte persoonsgebonden kosten, dieetkosten en extra kosten voor kleding en beddengoed in de aangiften van zijn klanten hebben opgenomen. Tevens zou hij met zijn eigen aangiften omzetbelasting gefraudeerd hebben. Het totale benadelingsbedrag zou gaan om een bedrag van € 828.842. De verdachte ontkent niet dat zijn eigen aangiften omzetbelasting onjuist zijn. Hij ontkent echter dat hij opzettelijk onjuiste aangiften voor zijn klanten heeft ingediend.

Ten aanzien van het bewijs van opzet overweegt de rechtbank dat het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest ‘onder welke voorwaarden de Belastingdienst aftrek van persoonsgebonden kosten, dieetkosten en extra kosten voor kleding en beddengoed toestond, nu deze voorwaarden zowel op de website van de Belastingdienst als in belastingalmanakken en dergelijke te vinden zijn.’ Door echter de aftrekposten op te voeren op basis van de enkele mededeling van een klant dat hij of een familielid een ziekte onder de leden had en hij geen enkel bewijs van de gemaakte kosten heeft opgevraagd, is volgens de rechtbank sprake van voorwaardelijk opzet.

In diverse Vaklunches hebben wij aandacht besteed aan de toepassing van het voorwaardelijk opzet leerstuk, zie bijvoorbeeld Vaklunch #77 of #87. Van voorwaardelijke opzet is sprake indien de verdachte ten tijde van het doen van de aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat een onjuiste aangifte zou worden gedaan en hij die kans toen bewust heeft aanvaard. De enkele constatering dat de belastingadviseur geen bewijs heeft opgevraagd van de gemaakte kosten terwijl op de website van de belastingdienst staat onder welke voorwaarden kosten in aftrek genomen mogen worden is onvoldoende. Hoe deze voorwaarden luiden en of de belastingadviseur daadwerkelijk kennis had van deze voorwaarden is immers niet vastgesteld. Het ‘wetenschaps-vereiste’ om (voorwaardelijk) opzet te bewijzen ontbreekt dus.

Hoewel de bewijslast voor kosten in beginsel op de belastingplichtige ligt op het moment dat de inspecteur een aftrekpost betwist, kan je je afvragen of een belastingadviseur ook zelf alle bonnetjes moet opvragen. Het hebben van facturen is ook niet een van de voorwaarden waarnaar wordt verwezen op de website van de Belastingdienst, die volgens de rechtbank een doorslaggevende rol spelen. Om voorwaardelijke opzet te kunnen bewijzen dient in ieder geval vast te staan dat de belastingadviseur twijfelde aan de gemaakte kosten of wist dat hij de facturen voor de gemaakte kosten moet hebben gezien maar toch de aangifte heeft ingediend.

Kortom, wat ons betreft wordt in dit vonnis onvoldoende duidelijk waarom opzet zou bestaan bij deze belastingadviseur.

Heb je vragen over het leerstuk van voorwaardelijk opzet of wil je van gedachten wisselen over het voorgaande neem dan contact met ons op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie