#210: Rupsje Nooitgenoeg

Als je Rupsje Nooitgenoeg al niet kent uit het prentenboek, dan is het misschien wel uit de rechtszaal waar het Openbaar Ministerie menig verdachte vaak mee vergelijkt. En niet alleen in de rechtszaal: ook in het tijdschrift Opportuun wordt deze vergelijking gemaakt met een verdachte. In dat kader heeft de verdachte in de ontnemingsprocedure een verzoek om vermindering gedaan omdat immateriële schade zou zijn geleden door de uitlatingen in Opportuun. Dit verzoek om vermindering mocht de verdachte niet baten, maar de uitlating van het Openbaar Ministerie is door Hof Arnhem-Leeuwaarden wel als ‘voorbarig’ gekwalificeerd. Wij schreven al eerder over het afpakklimaat bij het Openbaar Ministerie dat steeds verder lijkt te gaan. Is het Openbaar Ministerie vandaag de dag zelf Rupsje Nooitgenoeg?

Het Openbaar Ministerie is regelmatig op de vingers getikt als het om het afpakken van crimineel vermogen gaat. Dat grenzen worden gesteld waarbinnen het Openbaar Ministerie dient te opereren concludeerden wij al in Vaklunch #202 en #195. De teugels worden aangetrokken als het aankomt op de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij witwassen in ontnemingszaken. Ook een verbeurdverklaring om het feitelijk te ontnemen bedrag op te hogen kan niet op steun van de Hoge Raad rekenen zagen we in Vaklunch #167. Het Openbaar Ministerie lijkt echter niet te leren van fouten.

In het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2017 draaide het om een verbeurdverklaring van € 35.000. Het bedrag zou zijn verdiend met drugshandel. In de ontnemingsprocedure werd het wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel vastgesteld op € 49.586. Het Hof gaf 50% korting gelet op de samenwerking met de medeverdachte, waardoor € 17.500 in mindering werd gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat kon volgens de Hoge Raad niet door de beugel. Bij deze verdachte was immers al € 35.000 verbeurd verklaard. De Hoge Raad bracht het hele bedrag derhalve in mindering op het wederrechtelijk verkregen vermogen in lijn met het arrest van 17 mei 2016.

Ook als het aankomt op het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen vermogen heeft de Hoge Raad op 14 maart 2017 – dus op dezelfde dag als het voorgaande arrest –  een arrest gewezen. De boodschap ligt in lijn met het eerdere signaal van de Hoge Raad. Waar het genoten wederrechtelijke voordeel uit zou bestaan dient goed te worden gemotiveerd.

De feiten in de zaak die leidde tot het arrest van 14 maart 2017 spelen zich (grotendeels) af voor 1 juli 2011 waarop het oude artikel 36e Sr van toepassing is. In deze zaak is het wederrechtelijk verkregen voordeel door het Hof vastgesteld aan de hand van een kasopstelling. En hoewel daar volgens de Hoge Raad niets mis mee is, moet wel worden uitgelegd waar het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel vandaan komt. In dit geval heeft het Hof het geschatte voordeel niet in voldoende mate gerelateerd ‘aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten (…) doordat het in het midden heeft gelaten of dat voordeel uitsluitend is verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde (gewoonte)witwassen, dan wel of en in hoeverre aan dat voordeel ook andere bewezenverklaarde feiten dan wel andere strafbare feiten (…) ten grondslag liggen’.

Daar waar de verbeurdverklaring en de ontnemingsvordering aan populariteit wint, bewaakt de Hoge Raad de grenzen. En terecht. Er is dan ook een belangrijke taak weggelegd voor de verdediging om de procespartijen scherp houden. Beide fenomenen hebben immers grote impact op de verdachte en dienen zorgvuldig te worden beoordeeld.

Heb je vragen over de ontnemingsvordering of de verbeurdverklaring of wil je van gedachten wisselen over het voorgaande neem dan contact met ons op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie