#199: Een gewaarschuwd OM telt voor twee?

Het nieuwe jaar begint vol nieuwe kansen; zo ook de jurisprudentie op basis waarvan het witwas tij lijkt te keren. Op de valreep van 2016 besteedden wij in vaklunch #197 al aandacht aan het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 13 december 2016. En niet lang daarvoor diende de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 28 oktober 2016 zich aan, waar wij in vaklunch #190 over schreven. In die zaak gaf Hof Arnhem-Leeuwarden het Openbaar Ministerie een signaal dat het niet achterover kan leunen indien een verklaring is gegeven voor de herkomst die min of meer plausibel is. Een goed voorbeeld doet volgen?

Volgens vaste jurisprudentie mag van een verdachte verlangd worden dat hij een verklaring geeft over de herkomst van de gelden of voorwerpen indien de door het Openbaar Ministerie aangevoerde omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat het voorwerp uit misdrijf afkomstig is. In de zaak die in vaklunch #190 aan de orde was gaf de verdachte een verklaring af die volgens het Hof concreet ‘min of meer’ verifieerbaar en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijk was. Het Hof verweet het Openbaar Ministerie dat er geen enkel onderzoek is gedaan naar hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht.

Na Hof Arnhem-Leeuwarden tikt ook Hof Den Haag het Openbaar Ministerie op de vingers in het (niet op rechtspraak.nl gepubliceerde) arrest van 23 november 2016. De verdachte heeft in deze zaak verklaard dat hij naast inkomen uit arbeid in de loop der jaren veel geld heeft verdiend met de handel in kunst en antiek. Dat geld, waarover deels geen belasting is afgedragen, heeft hij onder meer gebruikt voor het doen van grotere aankopen zoals van een boot. De herkomst van deze geldbedragen is evenwel legaal. Ter onderbouwing heeft de verdachte gewezen op diverse van het procesdossier deel uitmakende rekeningafschriften waaruit de opbrengsten uit de antiekhandel blijken.

Naar het oordeel van het Hof is de concrete en min of meer verifieerbare verklaring van de verdachte niet op voorhand als zo volslagen onwaarschijnlijk aan te merken. De verdachte had de verklaring immers al in een vroeg stadium van het onderzoek afgelegd en in eerste aanleg en in hoger beroep consequent herhaald, zodat deze niet zonder meer en zonder nader onderzoek terzijde kan worden geschoven.

Het Hof oordeelde dat het op de weg van het Openbaar Ministerie lag om nader onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden die de legale herkomst van de geldbedragen in de tenlastelegging met een voldoende mate van zekerheid zouden kunnen uitsluiten. Het Hof spreekt de verdachte vrij.

Ons inziens is dit een terechte ontwikkeling. Het Openbaar Ministerie dient gegeven verklaringen nader te onderzoeken. Deze tijdsinvestering bij de aanvang van het onderzoek zal zich later terugverdienen, op deze manier kunnen de zaken die niet vervolgd behoeven te worden immers tijdig eruit worden gefilterd.

Heb je hierover verdere vragen of wil je van gedachten wisselen over het voorgaande, neem dan contact met ons op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie