#197: Witwassen; een goed voornemen voor het nieuwe jaar?

Met het naderende einde van het jaar blikt de Hoge Raad terug op het verleden en kijkt het alvast vooruit naar de toekomst. In een mooi eindejaarsarrest van 13 december 2016 stelt de Hoge Raad dat de jurisprudentie omtrent witwassen en de geformuleerde kwalificatie-uitsluitingsgrond complex kan worden ervaren. Dit geeft aanleiding voor de Hoge Raad om een overzicht te geven. Deze jurisprudentie van de Hoge Raad is echter ook aanleiding geweest voor nieuwe witwaswetgeving. En op 1 januari 2017 treden de bepalingen aangaande “eenvoudig witwassen” (art. 420bis.1 Sr) en “eenvoudig schuldwitwassen” (art. 420quater.1 Sr) in werking. Reden voor de Hoge Raad om in dit arrest alvast een overzicht te geven van de geldende witwaswetgeving die in het nieuwe jaar van toepassing is. Of omvat dit arrest meer dan een overzicht en geeft het eveneens een stille hint aan het Openbaar Ministerie?

Onder de huidige witwaswetgeving is het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf strafbaar. Niettemin heeft de Hoge Raad in zijn jurisprudentie bepaald dat deze gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd wanneer de verdachte in een dergelijk geval geen handelingen heeft verricht die zijn gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de voorwerpen. In deze rechtspraak over de kwalificatie van gedragingen als witwassen spelen twee bestanddelen een belangrijke rol, te weten de vraag of de gelden “onmiddellijk” en uit “eigen” misdrijf afkomstig zijn. In dit overzichtsarrest zet de Hoge Raad nog eens uiteen welke factoren een rol spelen bij de vraag of er sprake is van gelden die “onmiddellijk” afkomstig zijn uit “eigen” misdrijf:

    1. naast het tenlastegelegde witwassen wordt eveneens het gronddelict voor witwassen tenlastegelegd en bewezenverklaard;
    2. uit de bewijsvoering volgt zelf dat het verworven of voorhanden hebbende voorwerp onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begane misdrijf;
    3. de juistheid in het midden wordt gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voor-handen hebben door eigen misdrijf.

 

De vraag is nu hoe deze jurisprudentie van invloed is op de nieuwe wetgeving. Immers wordt in de nieuwe wetgeving eenvoudig schuldwitwassen strafbaar gesteld. Ofwel expliciet wordt strafbaar gesteld dat het enkel verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat “onmiddellijk” afkomstig is uit enig “eigen” misdrijf onder de nieuwe wetgeving als eenvoudig witwassen kwalificeert. Maar hoe verhoudt dit zich tot de bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad?

In de eerste plaats signaleert de Hoge Raad dat de nieuwe wetgeving alleen van toepassing is op voorwerpen die “onmiddellijk” uit eigen misdrijf zijn verkregen. Voor middellijke verkrijgingen blijven de oorspronkelijke witwasartikelen van toepassing. Verder geeft de Hoge Raad aan dat zijn jurisprudentie over de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing blijft op de ‘gewone’ witwasbepalingen en dat het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf enkel strafbaar is onder de nieuwe bepalingen van eenvoudig (schuld)witwassen.

De Hoge Raad gaat ook in op de verschillende mogelijkheden om de nieuwe bepalingen ten laste te leggen en benadrukt daarbij nadrukkelijk het doel van de nieuwe wetgeving. De Hoge Raad geeft aan dat gelet op deze nieuwe wetgeving het mogelijk zou zijn om een verdachte te vervolgen voor het gronddelict en het delict eenvoudig witwassen. Niettemin haalt de Hoge Raad uit de parlementaire geschiedenis aan dat het doel van de wetgeving is gelegen in het voorkomen van straffeloosheid op het moment dat veroordeling voor het grondmisdrijf niet mogelijk is of niet is aangewezen. Indien toch het gronddelict en het delict van eenvoudig witwassen cumulatief ten laste worden gelegd dan komt de discussie op of er sprake is van een voortgezette handeling of meerdaadse samenloop. De Hoge Raad lijkt echter de suggestie te doen om dergelijke discussies te voorkomen en – met het oog op het doel van de wetgeving – het gronddelict en het verwijt van eenvoudig witwassen subsidiair ten laste te leggen. Daarmee wordt voorkomen dat de kans bestaat op straffeloosheid alsook discussies over de vraag of er sprake is van een voortgezette handeling of meerdaadse samenloop. Wij vatten dit op als een duidelijke boodschap aan het adres van het Openbaar Ministerie. Laten we hopen dat het Openbaar Ministerie dit in zijn pakket van goede voornemens opneemt.

Heb je te maken met een dergelijke situatie of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact met ons op via boer@hertoghsadvocaten.nl of boezelman@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie