#195: Witwassen versus ontnemen

Een financiële fraudezaak gaat veelal gepaard met een strafrechtelijk financieel onderzoek uitmondend in een ontnemingsvordering. Op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter een verplichting tot betaling opleggen indien de veroordeelde voordeel heeft gekregen door middel van of uit baten van het betreffende strafbare feit. In geval een veroordeling heeft plaatsgevonden voor witwassen dan is de vraag in hoeverre het voordeel dat is verkregen afkomstig is uit baten van het strafbare feit. Deze vraag kwam recent aan de orde in een arrest van 29 november 2016 van de Hoge Raad.

In dit arrest stond een ontnemingsprocedure ter discussie waarbij de veroordeelde in de samenhangende strafzaak in hoger beroep was veroordeeld voor zowel schuldwitwassen als sociale zekerheidsfraude in de periode van 2007 tot en met 2011. In de ontnemingsprocedure wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 299.350,- zijnde het bedrag dat in de periode van 2001 tot en met 2010 door de veroordeelde op een bankrekening in Marokko is gestort.

In het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013  overwoog de Hoge Raad reeds dat bedragen die voorwerp zijn van het bewezen verklaarde misdrijf niet zonder meer wederrechtelijk verkregen voordeel vormen. Deze jurisprudentie  is later door de Hoge Raad ook meerdere keren bevestigd. De rechter dient de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel nader te motiveren indien hij dit baseert op het bewezen verklaarde witwassen . Uit een dergelijke motivering moet blijken waarom de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van dat feit.

In de zaak die diende voor de Hoge Raad in voornoemd arrest van 29 november 2016 heeft het Hof op geen enkele wijze duidelijk gemaakt waarom het witwassen zelf een concreet voordeel heeft opgeleverd voor de verdachte. Nog daargelaten dat de periode waarop het Hof het wederrechtelijk verkregen voordeel baseert geenszins overeenkomt met de periode waarbinnen het geld zou zijn witgewassen. De Hoge Raad oordeelt onder verwijzing naar het arrest van 19 februari 2013 dat het oordeel van het Hof kennelijk berust op de opvatting dat de op de bankrekening gestort bedragen onderwerp waren van het bewezenverklaarde ‘schuldwitwassen’ en reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel zouden vormen. Die opvatting is gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad aldus niet juist. Daarbij oordeelt de Hoge Raad dat de periode waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd niet strookt met de periode van de bewezenverklaring en dit zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. Waarbij bovendien wordt opgemerkt dat schuldwitwassen tot 14 december 2001 niet strafbaar was.

Kortom, het enkel onttrekken van de criminele opbrengsten aan het oog van justitie brengt niet direct een voordeel met zich mee. Men zou kunnen denken aan besparingen die worden gemaakt door het niet betalen van belastingen maar daar is de ontnemingsvordering in beginsel niet voor bedoeld. Daarbij moet goed gemotiveerd worden binnen welke periode het voordeel is verkregen en altijd gelet worden op de vraag of witwassen al strafbaar was in de betreffende periode.

Witwassen en ontnemen zijn beide weerbarstige onderwerpen die ook in combinatie klaarblijkelijk de nodige moeite kost voor de rechters. Hoe voorkom jij dat rechters de standaardjurisprudentie van de Hoge Raad niet missen?

Geen reacties

Plaats een reactie