#194: Knevelarij door het Openbaar Ministerie

De praktijk van een advocaat staat bol van wonderlijke situaties. Niet in de laatste plaats de praktijk van de strafrechtadvocaat. Wie denkt dat de natuurlijke vijand van de strafrechtadvocaat – het Openbaar Ministerie – altijd ‘volgens het boekje werkt’, heeft het mis. Onder omstandigheden krijgt het Openbaar Ministerie een reprimande van de rechter als het Openbaar Ministerie het te bont heeft gemaakt. Echter de tendens is dat de verdachte niet mag ‘profiteren’ van de fouten gemaakt door het Openbaar Ministerie. Die regel prikkelt het Openbaar Ministerie en het gehele opsporingsapparaat ons inziens te weinig om zelfkritisch te zijn. Het regent vormverzuimen zonder dat deze op enigerlei wijze worden bestraft. Als advocaat kijk je dus bijna nergens meer van op. Toch hebben wij ons weer verwonderd over de gang van zaken die aan de orde kwam in de uitspraak van Rechtbank Overijssel vorige week; geen vormverzuim maar pure knevelarij.

Een gewezen verdachte – waartegen de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel – kan een verzoek doen om schadevergoeding te krijgen in de zin van artikel 591a Wetboek van Strafvordering. In de onderhavige zaak heeft de betrokkene een schadevergoeding ingediend voor kosten die hij heeft gemaakt in verband met zijn verdediging. De zaak is uiteindelijk nooit vervolgd. Sterker nog, de zaak is zelfs nooit ingeschreven in het parketregister. Dat neemt niet weg dat de betrokkene wel als verdachte in beeld is geweest bij het Openbaar Ministerie en in die hoedanigheid kosten heeft gemaakt.

De wonderlijke actie zit in de wijze waarop het Openbaar Ministerie de zaak heeft proberen af te doen. Blijkens het vonnis heeft de officier van justitie de advocaat van de verdachte laten weten dat hij geen aanleiding ziet om de betrokkene als verdachte in te schrijven in het parketregister. Om die reden zal hij de verdachte ook niet vervolgen. So far so good, zou je denken. Maar er zit nog een addertje onder het gras. De officier van justitie wil dat namelijk enkel nalaten indien de betrokkene afziet van zijn recht om een schadevergoedingsverzoek in de zin van artikel 591a Sv in te dienen. Nadien is namens de betrokkene toch een verzoekschrift ex artikel 591a Sv ingediend, waarop de officier van justitie zijn actie kracht bij heeft gezet door de advocaat van de betrokkene te melden dat hij over zou gaan tot dagvaarden indien het verzoekschrift gehandhaafd zou blijven. Daarmee maakt de officier van justitie zich ons inziens schuldig aan knevelarij in de zin van artikel 366 Wetboek van Strafrecht. De pot verwijt de ketel dat ‘ie zwart ziet?

De rechtbank heeft ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding geoordeeld dat gelet op de brief van de officier van justitie er van begin af aan geen voornemen was om de betrokkene te vervolgen. Om die reden merkt de rechtbank die brief ook aan als een sepot mededeling; daarmee is de zaak geëindigd zonder oplegging van straf. De rechtbank verklaart het verzoek om schadevergoeding dan ook ontvankelijk en oordeelt dat gronden van billijkheid aanwezig zijn om het verzochte bedrag aan schadevergoeding toe te kennen.

Daarnaast heeft de rechtbank de nodige woorden geweid aan de voorwaarden die het Openbaar Ministerie heeft menen te kunnen stellen aan het beëindigen van de strafzaak. De rechtbank heeft overwogen dat sprake is van ongelijkwaardige partijen waarbij voor de betrokkene ten aanzien van de voorwaarde van de officier van justitie in feite niets te kiezen viel: ‘of akkoord gaan met de gestelde voorwaarde en niet in het register als verdachte worden ingeschreven of (in verzoekers beleving) volstrekt ten onrechte als verdachte worden ingeschreven in het register waarna de zaak alsnog zou worden geseponeerd waarna hij vervolgens bij de rechtbank een verzoek tot schadevergoeding kon indienen’. Dit kan niet op begrip van de rechtbank rekenen: ‘De ongelijkwaardigheid van partijen in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat het maken van een dergelijke afspraak in zaken als deze niet behoort plaats te vinden.’ Ook merkt de rechtbank nog op dat indien de afspraak al gemaakt zou zijn, deze afspraak gelet op het voorgaande niet rechtsgeldig zou zijn geweest.

Eind goed, al goed. Maar dit vonnis laat nog maar eens zien dat het loont om je als advocaat te blijven verbazen over de wijze waarop het Openbaar Ministerie in voorkomende gevallen met verdachten omgaat en actie te ondernemen.

Deel jouw ervaringen met dit soort kwesties op onze website.

Geen reacties

Plaats een reactie