# 193: (On)middelijk uit eigen misdrijf afkomstig

Witwassen is een geliefde strafbepaling bij het Openbaar Ministerie en wordt ook vaak als extra feit ten laste gelegd. Indien iemand beschikt over een voorwerp dat van misdrijf afkomstig is, dan is het niet moeilijk om op basis van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht te oordelen dat er sprake is van witwassen. Er is namelijk al snel sprake van het verwerven, voorhanden hebben, overdragen of gebruik maken van het betreffende voorwerp. Om te voorkomen dat sprake zou zijn van een automatische verdubbeling van strafbaarheid voor één feitelijke handeling is door de Hoge Raad in het arrest van 8 januari 2013 een kwalificatie uitsluitingsgrond ontwikkeld. Indien sprake is van voorwerpen die uit eigen misdrijf afkomstig zijn, moet er sprake zijn van een gedraging die op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp gericht is; eerst dan is  witwassen strafbaar. De kwalificatie uitsluitingsgrond van de Hoge Raad wordt echter niet altijd juist toegepast zo blijkt uit een recent arrest van de Hoge Raad.

In deze zaak is het plegen van een opiumdelict en witwassen ten laste gelegd. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van witwassen het volgende overwogen:

“Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte zich gedurende lange tijd heeft beziggehouden met de handel in verdovende middelen. Voorts volgt uit die bewijsmiddelen dat verdachte meer geld heeft uitgegeven dan hij aan legale inkomsten heeft ontvangen. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de aangetroffen contante geldbedragen, de personenauto (middellijk) en de banktegoeden van misdrijf afkomstig zijn, te weten van overtreding(en) van de Opiumwet.”

Het hof ontslaat de verdachte vervolgens van alle rechtsvervolging omdat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat het voorhanden hebben van de voorwerpen heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp. Daartoe overweegt het hof dat het bewaren van contant geld in een auto enerzijds en het giraal bewaren van het geld anderzijds niet wezenlijk verschilt van het enkel voorhanden hebben van de gelden. In de motivering van het hof valt de personenauto die middellijk afkomstig is uit enig misdrijf dus een beetje tussen wal en schip.

Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie richt zich tegen het oordeel van het hof dat de bewezenverklaring van witwassen ten aanzien van de personenauto en de banktegoeden niet kunnen kwalificeren als witwassen. Ten aanzien van de personenauto oordeelt de Hoge Raad dat het hof heeft overwogen dat de auto middellijk uit eigen misdrijf is verkregen en de kwalificatie uitsluitingsgrond ten aanzien daarvan niet geldt. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar het arrest van 17 december 2013. Dit is ons inziens logisch. Indien het voorwerp niet rechtstreeks uit misdrijf is verkregen dan heeft een handeling plaatsgevonden waardoor de onmiddellijk ontvangen gelden zijn omgezet in een ander voorwerp. Deze handeling kan dus mogelijk gericht zijn geweest op het verbergen en verhullen van de criminele herkomst.

In het cassatiemiddel wordt ten aanzien van de banktegoeden gesteld dat deze afkomstig zijn van het omzetten van contante gelden naar girale gelden en dus niet onmiddellijk afkomstig zijn uit eigen misdrijf. De Hoge Raad oordeelt echter dat de overweging van het hof dat de banktegoeden wel onmiddellijk afkomstig zijn uit eigen misdrijf niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij neemt de Hoge Raad de parlementaire geschiedenis in aanmerking. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de witwasbepaling is overwogen dat de term ‘middelijk’ is bedoeld om bijvoorbeeld de omzetting van uit misdrijf afkomstige voorwerpen in andere voorwerpen strafbaar te stellen. Voor het omzetten is volgens de Hoge Raad meer nodig dan het enkel storten van gelden op een bankrekening die staat op eigen naam en in Nederland wordt aangehouden. Hiervoor verwijst de Hoge Raad ook naar  een eerder arrest van 7 oktober 2014.

Merk jij in jouw praktijk dat de kwalificatie uitsluitingsgrond wel eens onjuist wordt toegepast, al dan niet in het voordeel van jouw cliënt?

Geen reacties

Plaats een reactie