#189: Artikel 10a AWR in het strafrecht

Sinds 1 januari 2012 is in artikel 10a AWR een fiscale meldplicht opgenomen. Het artikel bepaalt dat een belastingplichtige uit eigen beweging onjuistheden of onvolledigheden bij de Belastingdienst moet melden zodra hij daarvan op de hoogte is gekomen. Bij algemene maatregel van bestuur is vastgelegd voor welke onjuistheden of onvolledigheden dit geldt. Zo is in artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting bepaald dat deze meldplicht geldt voor onjuistheden en onvolledigheden in aangiften omzetbelasting. In dit artikel zijn drie situaties omschreven die als overtreding worden aangemerkt: 1) het niet doen van de suppletie, 2) het niet tijdig doen van de suppletie en 3) het niet doen van de suppletie op de aangegeven wijze. Inmiddels heeft de suppletie omzetbelasting ook zijn intrede gemaakt in het strafrecht. Hierbij enkele overpeinzingen.

In artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting is bepaald dat de suppletie zo spoedig mogelijk moet worden ingediend zodra de belastingplichtige constateert dat in een tijdvak van de afgelopen 5 jaren onjuiste of onvolledige aangiften zijn ingediend. De suppletie moet zijn gedaan voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de inspecteur bekend is met de onjuiste of onvolledige aangifte. Door middel van een suppletie dient men alsnog juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken. In het strafrecht is in artikel 69, lid 1, AWR jo. artikel 68, lid 1, sub a, AWR het niet, het onjuist of het onvolledig verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen strafbaar gesteld. Op basis van dit artikel wordt nu via artikel 10a AWR het niet, onjuist of onvolledig doen van een suppletie aangepakt.

In een zaak die begin dit jaar diende voor de strafkamer van de Rechtbank Overijssel bestond een verdenking van het onjuist doen van aangiften omzetbelasting. Daarnaast was sprake van een verdenking van het meermalen opzettelijk niet indienen van suppleties voor de omzetbelasting terwijl hij op grond van artikel 10a AWR verplicht was om alsnog juiste inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken. Beide verdenkingen zagen op dezelfde kwartalen. De belastingplichtige is veroordeeld voor beide delicten.

In een zaak die diende voor Rechtbank Oost-Brabant bestond primair een verdenking voor het niet doen van suppleties en subsidiair een verdenking voor het onjuist doen van aangiften omzetbelasting over dezelfde jaren. Op 27 september 2016 oordeelt de rechtbank in eerste instantie dat de tenlastelegging zo moet worden gelezen dat sprake is van een impliciete cumulatieve tenlastelegging. Op die manier kan de rechtbank de verdachte voor beide feiten veroordelen en dat doet zij ook. De rechtbank oordeelt namelijk dat de belastingplichtigen opzettelijk onjuiste aangifte omzetbelasting hebben gedaan terwijl daarna niet zo spoedig mogelijk bij wijze van suppletie juiste en volledige inlichtingen zijn verstrekt aan de inspecteur. Ook in deze uitspraak gaat het daarbij veelal om dezelfde tijdvakken.

De rechtbank beperkt wel het aantal tijdvakken voor het niet doen van de suppletie omzetbelasting. De reden daarvoor is dat naar het oordeel van de rechtbank de strafbaarstelling van artikel 10a AWR problematisch is voor wat betreft aangiften omzetbelasting over perioden ruim vóór 1 januari 2012. Immers, uit artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting volgt dat een geconstateerde onjuistheid zo spoedig mogelijk moet worden gemeld. Als bijvoorbeeld in juli 2010 al een onjuistheid zou zijn geconstateerd, dan kan de belastingplichtige dus nooit meer spoedig een melding doen en zou de belastingplichtige strafbaar zijn voordat artikel 10a AWR in werking was getreden. Die melding had dan immers al kort na juli 2010 moeten gebeuren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de regeling tot gevolg dat eenieder die tot vijf jaar terug een aangifte omzetbelasting heeft gedaan welke een fout bevatte, en die daar al ruim vóór 1 januari 2012 van wist maar daarvan toen geen melding heeft gedaan, per 1 januari 2012 strafbaar is. Deze strafbaarstelling van in het verleden begane fouten die op dat moment nog niet strafbaar waren, is in strijd met het legaliteitsbeginsel neergelegd in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht.

En dan nu de overpeinzingen. In de eerste plaats kunnen wij ons vinden in het oordeel van de rechtbank voor zover zij bepaalt dat delicten die voor 1 januari 2012 reeds waren voltooid niet meer strafbaar kunnen zijn. De rechtbank blijft echter vaag over het omslagpunt en stelt dat het gaat om situaties waarin de belastingplichtige ruim voor 1 januari 2012 al wist dat sprake was van een fout in de aangifte. Dit criterium biedt weinig zekerheid voor de belastingplichtige. Het lijkt ons in lijn met het legaliteitsbeginsel om ervan uit te gaan dat, indien kennis bestond van een onjuistheid in de aangiften omzetbelasting voor 1 januari 2012, het niet of niet tijdig doen van een suppletie niet strafbaar kan zijn.

Verder zien we in beide uitspraken dat de verdachte wordt veroordeeld voor het onjuist doen van een aangifte en vervolgens het niet doen van een suppletie aangifte. Ons inziens is deze dubbeltelling niet mogelijk. Immers, beide strafbaarstellingen gaan uit van een andere situatie. Voor het doen van een onjuiste aangifte is immers vereist dat opzet bestond op de onjuistheid op het moment van het indienen van de aangifte. Artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting gaat er vanuit dat een suppletie moet plaatsvinden indien een onjuistheid wordt geconstateerd in de reeds ingediende aangifte. De bedoeling van dit artikel is ons inziens dus dat een later geconstateerde fout moet worden gemeld. Immers, indien je op het moment van indienen al opzettelijk een onjuiste aangifte indient, dan is het stilzitten daarna in wezen een voortgezette handeling of een eendaadse samenloop en derhalve niet afzonderlijk strafbaar.

Tot slot vragen wij ons ernstig af of het überhaupt de bedoeling van de wetgever is geweest om overtreding van artikel 10a AWR strafbaar te stellen. In de parlementaire geschiedenis wordt hier met geen woord over gerept. In artikel 10a AWR is bovendien nadrukkelijk bepaald dat het niet nakomen van dit artikel een overtreding oplevert en geen misdrijf zoals bepaalt in artikel 69 AWR.

Kortom, wat ons betreft is over artikel 10a AWR en het strafrecht het laatste woord nog niet gezegd. Welke kansen en verweren zie jij?

Geen reacties

Plaats een reactie