#187: Pleitbaar standpunt en opzet

In artikel #137 schreven wij over de uitspraak van het Hof Amsterdam van 8 oktober 2015 over het pleitbare standpunt. Want moet dit beginsel nu subjectief of objectief worden geïnterpreteerd? Tegen voornoemde uitspraak is door beide partijen cassatie ingesteld. Advocaat-Generaal Wattel heeft een conclusie geschreven in deze zaak waarin diverse interessante onderwerpen aan bod komen. Wij zullen ons in dit artikel richten op het pleitbare standpunt. Wanneer sluit een pleitbaar standpunt opzet uit?

Een pleitbaar standpunt is een opvatting over de kwalificatie van de feiten of de toepassing van het recht op de feiten die in redelijkheid verdedigbaar is. Het hof had overwogen dat naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor het opleggen van een fiscale boete geen plaats is indien degene aan wie de boete is opgelegd naar objectieve maatstaven een pleitbaar standpunt had. Dat wil zeggen dat voor het ingenomen standpunt – ook al wordt dit ten slotte onjuist bevonden – zodanige argumenten zijn aan te voeren dat niet kan worden gezegd dat de betrokkene door het innemen van dat standpunt dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan zijn opzet of grove schuld is te wijten dat te weinig belasting wordt geheven.

In de rechtspraktijk bestaat echter onduidelijkheid over de vraag of een objectief dan wel een subjectief pleitbaar standpunt opzet of schuld uitsluit. Deze onduidelijkheid vloeit mede voort uit een arrest van de strafkamer van de Hoge Raad – zie ook artikel #41 – waarin is overwogen dat indien is vastgesteld dat de verdachte bij het doen van de gewraakte aangifte niet in de veronderstelling was dat hij een juiste aangifte indiende, hij geen beroep kan doen op een pleitbaar standpunt. Dit arrest wordt ook wel zo uitgelegd dat een belastingplichtige voor het doen van de aangifte bewust een pleitbaar standpunt moet hebben ingenomen wil dit standpunt het opzet uitsluiten.

De staatssecretaris heeft tegen het oordeel van het gerechtshof dat sprake is van een objectief pleitbaar standpunt een cassatiemiddel ingediend. Uit de conclusie van Wattel volgt dat het middel een aantal klachten omvat. De belangrijkste daarvan is dat het hof volgens de Staatssecretaris ten onrechte een objectieve toets van pleitbaarheid heeft aangelegd. Wattel zet in zijn conclusie eerst diverse arresten van de Hoge Raad over het pleitbare standpunt uiteen om vervolgens een bloemlezing te geven uit de literatuur waaruit volgt dat verschillende meningen bestaan over hoe het pleitbare standpunt moet worden gehanteerd. Tevens wordt een onderscheid gezien tussen de fiscale rechter en strafrechter als het gaat om de objectieve dan wel subjectieve benadering van het pleitbare standpunt.

Wattel komt tot een heldere conclusie, de maatstaf is het objectieve pleitbare standpunt. Hij komt als volgt tot deze conclusie. De maatstaf van het pleitbare standpunt is dat het ingenomen standpunt – ook al wordt dit ten slotte onjuist bevonden – zodanige argumenten zijn aan te voeren dat niet kan worden gezegd dat de betrokkene door het innemen van dat standpunt dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan zijn opzet of grove schuld is te wijten dat te weinig belasting wordt geheven. Wattel meent dat de term ‘dermate lichtvaardig’ hierin als belangrijkste term moet worden gekwalificeerd. Verder constateert Wattel dat deze formulering er niet vanuit gaat dat de lichtvaardigheid moet worden beoordeeld op het moment van het doen van aangifte. Dit leidt hij mede af uit de maatstaf van het pleitbare standpunt zelf die uitgaat van het feit dat argumenten zijn aan te voeren en niet stelt dat deze aangevoerd waren. Wattel constateert bovendien dat de arresten die zijn aangevoerd door de Staatsecretaris om de subjectiviteit van het pleitbare standpunt te bepleiten in wezen geen duidelijk oordeel geven over de subjectiviteit daarvan maar over de pleitbaarheid van het standpunt zelf. In ieder geval meent hij dat de jurisprudentie geenszins helder is over de vraag of een subjectief pleitbaar standpunt wordt gehanteerd.

Wattel draagt nog wel een oplossing aan voor de situatie waarin de fiscale rechter uitgaat van het objectieve pleitbare standpunt en de strafrechter van het subjectieve pleitbare standpunt. Dat zou namelijk tot verschillende uitkomsten kunnen leiden; in het ene geval wel sprake van een opzettelijk onjuiste aangifte en in het andere geval niet. Wattel stelt namelijk dat het objectief pleitbare standpunt in de strafrechtelijke dogmatiek in het strekkingsvereiste van de opzetdelicten van artikel 69 AWR kan worden ingepast. Als een standpunt objectief pleitbaar blijkt te zijn, strekte de gedraging er (dus objectief) niet toe dat te weinig belasting wordt geheven is de gedachte. Het strekkingsvereiste is immers geobjectiveerd.

Of de strafkamer van de Hoge Raad het objectieve pleitbare standpunt gaat inpassen in het strekkingsvereiste vragen wij ons af. De conclusie van Wattel is ons inziens echter duidelijk, een objectief pleitbaar standpunt sluit opzet in beginsel uit. Wij zouden menen dat dit objectieve uitgangspunt door de fiscale rechter en de strafrechter gehanteerd zou moeten worden.

Denk jij dat de Hoge Raad de conclusie van Wattel volgt?

1 Comment
  • de bie

    13 oktober 2016 at 10:10 Beantwoorden

    neen, ik vermoed dat de lichtste vorm van opzet, de voorwaardelijke opzet hier van toepassing is, met name door de richting van subjectiviteit en objectiviteit. waarbij juist de kern elementen te vinden zijn in de gedragingen (subjectieve – geobjectiveerde- aanname) van de verdachte en niet alleen ten tijde van het werkelijk doen – elektronisch – van de aangifte

Plaats een reactie