#179: Zijn rechters nog altijd ongehoorzaam?

De Hoge Raad heeft een strenge en duidelijke lijn uitgezet als het gaat om het sanctioneren van vormverzuimen. Politie en justitie dienen zich gedurende het opsporingsonderzoek uiteraard te houden aan de regels zoals geformuleerd in het Wetboek van Strafvordering. Doen zij dat niet, dan kunnen dergelijke vormverzuimen consequenties hebben. Artikel 359a Sv vormt de grondslag om te bepalen of dan wel welk gevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden. Een van die gevolgen is de sanctie van bewijsuitsluiting. Het is aan de verdediging om op basis van de criteria, zoals uiteengezet door de Hoge Raad, een dergelijke sanctie te bewerkstelligen. Vorig jaar werd een trend ontdekt waarbij rechters sneller gevolgen verbonden aan vormverzuimen dan wellicht was bedoeld door de Hoge Raad. Is deze trend nog steeds waarneembaar?

Voor de toepassing van artikel 359a Sv dienen telkens de factoren zoals benoemd in lid 2 van artikel 359a Sv worden gewogen. Het gaat om het belang dat met het geschonden voorschrift wordt gediend, de ernst van het verzuim en de aard van het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. De Hoge Raad heeft in het arrest van 19 februari 2013 duidelijke criteria ontwikkeld voor toepassing van bewijsuitsluiting ex 359a Sv. Bewijsuitsluiting is aan de orde als door het vormverzuim een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden en er sprake is van een van de volgende gevallen:

1) Door het vormverzuim is het recht op een eerlijk proces geschonden, of;

2) Door het vormverzuim is een ander belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate geschonden en is bewijsuitsluiting een noodzakelijk middel om vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst te voorkomen, of;

3) Indien de verdediging objectieve gegevens aanvoert waaruit blijkt dat sprake is van vormverzuimen met een structureel karakter, zonder dat de verantwoordelijke autoriteiten zich voldoende hebben ingespannen om overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen.

Op 4 augustus 2016 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch een vormverzuim nog gesanctioneerd door het onrechtmatig verkregen materiaal van het bewijs uit te sluiten. Het hof stelt in deze zaak vast dat de politie zich door belastingambtenaren heeft laten bijstaan gedurende een doorzoeking, hoewel dat niet redelijkerwijs was vereist in de zin van artikel 8, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi), gelet op de verdenking terzake aanwezigheid van een hennepkwekerij. De belastingambtenaren hadden derhalve geen zelfstandige bevoegdheid om de woning van de verdachte binnen te treden en de daartoe in beginsel wel bevoegde ambtenaren te vergezellen. De binnentreding van de belastingambtenaren is derhalve onrechtmatig geweest waardoor het huisrecht van verdachte is geschonden. Tevens is op basis van het dossier niet vast te stellen of op het moment van de doorzoeking sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Ook om die reden oordeelt het hof dat sprake is van een onrechtmatige doorzoeking.

Het hof concludeert dat door de onrechtmatig binnentreding een inbreuk is gemaakt op een belangrijk strafvorderlijk voorschrift – het huisrecht – als ook op de door dat voorschrift gewaarborgde belangen van de verdachte. Verdachte is door de genoemde verzuimen in haar belangen geschaad omdat er door het gewraakte binnentreden bewijsmateriaal is gevonden. Deze overweging is wellicht opmerkelijk aangezien de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in art. 359a, tweede lid, Sv.

In een vergelijkbare zaak oordeelt de Rechtbank Midden-Nederland op 26 januari 2016 eveneens dat het bewijsmateriaal dat is verkregen door een onrechtmatige doorzoeking dient te worden uitgesloten van het bewijs, maar op grond van een andere redenering. In deze zaak was eveneens sprake van een onrechtmatige binnentreding omdat nog geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. De rechtbank overweegt dat het belang van de aanwezigheid van een redelijk vermoeden van schuld is gelegen in het belangrijke rechtsstatelijke principe dat willekeurig politieoptreden dient te worden voorkomen. Zonder voldoende gegronde basis voor een verdenking, mochten de politieambtenaren niet een dergelijke vergaande inbreuk maken op het recht van privacy. De rechtbank kwalificeert de inbreuk die het verzuim heeft gemaakt op voornoemd belang als ernstig. Het nadeel van de verdachte is er in gelegen dat de verdachte heeft moeten dulden dat opsporingsambtenaren – onbevoegdelijk – het door hem gehuurde pand binnen zijn gegaan en hebben doorzocht. In wezen stelt de rechtbank dus dat sprake is van schending van de privacy van de verdachte. De Hoge Raad heeft echter op 19 februari 2013 geoordeeld dat aan een niet gerechtvaardigde inbreuk op het recht op privacy (artikel 8 EVRM) tegen de verdachte in beginsel geen gevolgen hoeven te worden verbonden, mits zijn recht op een eerlijk proces wordt gewaarborgd.

Op basis van voornoemd arrest en vonnis menen wij dat feiten rechters zich nog altijd kritisch opstellen ten aanzien van vormverzuimen. Ons inziens geheel terecht. Vormverzuimen mogen niet ongestraft blijven. Politie en justitie zouden bij uitstek het goede voorbeeld moeten geven. Kan jij je vinden in de argumentatielijn van het hof en de rechtbank? En denk jij dat deze vonnissen standhouden bij de Hoge Raad?

Geen reacties

Plaats een reactie