#177: Grip op een SFO houden

Het Openbaar Ministerie zet stevig in op het afpakken van criminele gelden. In het begin van dit jaar trommelde het Openbaar Ministerie zich nog op de borst en deelde mede dat het in het jaar 2015 maar liefst een bedrag van 143,5 miljoen euro had afgepakt. Het ontnemen van gelden gaat veelal gepaard met een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: SFO). Na een eenmaal afgegeven machtiging van de rechter-commissaris geniet de officier van justitie veel vrijheid om te doen en te laten wat hij wil. Welke middelen heb je als verdediging om grip te houden op het SFO?

Een van de belangrijkste bevoegdheden die het Openbaar Ministerie heeft nadat de rechter-commissaris een machtiging heeft afgegeven, is dat het gelden in beslag kan nemen op grond van artikel 94a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) zonder dat dit telkens een nieuwe machtiging behoeft. Het rechtsmiddel dat tegen dergelijke inbeslagnames openstaat, is het indienen van een klaagschrift ex artikel 552a Sv. De beperking van artikel 552a Sv is dat het een marginale toetsing door de rechter inhoudt. Daardoor is het niet eenvoudig om het beslag opgeheven te krijgen. Maar ook in het geval het bezwaar tegen het beslag door de rechter gegrond wordt verklaard en het beslag wordt opgeheven, bezit de officier van justitie nog altijd die oppermachtige machtiging van de rechter-commissaris ex artikel 126 Sv. In beginsel weerhoudt dit het Openbaar Ministerie er niet van om nieuwe beslagen te leggen. Welke rechtsbescherming kent ons Wetboek van Strafvordering nu om te toetsen of de machtiging (nog) rechtsgeldig is?

Om bij het begin te beginnen dient in eerste instantie te worden opgemerkt dat geen rechtsmiddel openstaat tegen het instellen van een SFO. Dit werd reeds overwogen in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel waarmee het SFO werd geïntroduceerd. De achterliggende reden is dat degene tegen wie het onderzoek wordt ingesteld daarvan niet van meet af aan in kennis behoeft te worden gesteld. Zodra de onderzochte (rechts)persoon op de hoogte is van het SFO, kan de betrokkene klagen tegen de uitvoering van het SFO op grond van artikel 552a Sv.

Verder biedt artikel 126e Sv een rechtsingang. In dit artikel is bepaald dat de rechtbank waakt tegen nodeloze vertraging van het SFO. De vraag is nu wanneer daarvan sprake is? Is dit enkel als sprake is van een schending van de redelijke termijn? Of kan ook worden gesteld dat het SFO nodeloos voortduurt als het Openbaar Ministerie geen grond (meer) heeft voor het voortzetten van het SFO? Wij zouden menen dat deze laatste vraag bevestigend moet worden beantwoord. Hiervoor zijn ook aanknopingspunten te vinden in de literatuur.

J.M. Reijntjes stelt dat de rechtbank eveneens moet kunnen onderzoeken of (nog) een grond bestaat voor het strafrechtelijk financieel onderzoek: “(..) indien hij meent dat er geen grond (meer) voor bestaat, aan de rechtbank vragen zich de stukken van het onderzoek te overleggen en (na kennisneming daarvan) onverwijlde of spoedige beëindiging van het onderzoek te bevelen (art. 126e Sv).[1]

Ook G.J.M. Corstens schrijft: “Hoewel het tweede lid in het verlengde van het eerste lid lijkt te zijn gericht op het waken tegen nodeloze vertraging, zou het ook kunnen worden gehanteerd door verdachten die menen dat ten onrechte een strafrechtelijk financieel onderzoek wordt ingesteld.”[2]

Een dergelijke uitleg lijkt ook te passen in het systeem van de wet. Immers bepaalt artikel 126f Sv dat, indien de officier van justitie oordeelt dat er geen grond meer bestaat voor de voortzetting van het SFO, het onderzoek moet worden gesloten. In dat licht zou het logisch zijn als de onderzochte persoon dit recht ook kan vorderen. Immers bepaalt artikel 13 EVRM dat bij een schending van een recht, een effectief nationaal rechtsmiddel voorhanden moet zijn.

Kortom, wij menen dat artikel 126e Sv een rechtsingang geeft om sluiting van het SFO te vorderen indien voor het voortduren daarvan geen grond (meer) bestaat. Tot op heden hebben wij hiertoe een poging ondernomen, maar helaas zonder succes. Tegen een dergelijke beslissing staat echter geen hoger beroep of cassatie open. Wellicht dat wij in een andere zaak bij een andere rechtbank meer succes hebben.

Welke middelen zet jij in tegen een onrechtmatig SFO?

[1] J.M. Reijntjes, Minkenhof’s Nederlandse Strafvordering (11e druk), Deventer: Kluwer 2009, p. 291.

[2] G.J.M. Corstens, het Nederlands Strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2005, p. 343.

Geen reacties

Plaats een reactie