#169: Een doekje voor het bloedende verschoningsrecht

Het verschoningsrecht van de advocaat en de notaris is al enige jaren onderwerp van discussie. Als wapen gooit het Openbaar Ministerie een media offensief in de strijd waarin wordt bepleit dat het verschoningsrecht van de advocaat moet worden ingeperkt omdat er misbruik van zou worden gemaakt. Echter toen het Openbaar Ministerie werd gevraagd om toe te lichten waarop zij dit verwijt baseren, bleef het stil. Naast dit media offensief organiseert het Openbaar Ministerie ook steeds vaker een doorzoeking bij een verschoningsgerechtigde. De veelvuldige inzet van dergelijke doorzoekingen gaat gepaard met een even zo grote stroom aan jurisprudentie. Het laatste woord over de wijze waarop de doorzoeking en het beslag dient plaats te vinden alsmede of hetgeen al dan niet in beslag genomen mag worden en hoe het in beslag genomen materiaal mag worden doorzocht, is nog niet gezegd. De jurisprudentie lijkt zich in eerste instantie toe te spitsen op de vraag welke stukken in beslag genomen mogen worden bij een verschoningsgerechtigde.

De wet kent een tweetal uitzonderingen op het verschoningsrecht. De eerste uitzondering ziet op de situatie waarin de verschoningsgerechtigde toestemming geeft om de stukken voor het strafrechtelijke onderzoek te gebruiken ex artikel 98, lid 1, Sv. In artikel 98, lid 5, Sv staat de tweede uitzondering: alleen brieven of geschriften die onderdeel van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben, kunnen in beslag genomen worden. Het is daarbij aan de verschoningsgerechtigde om te beoordelen of geschriften een object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken. Het standpunt van de verschoningsgerechtigde dat dit het geval is dient door organen van politie en justitie te worden gerespecteerd tenzij dit redelijkerwijs niet juist kan zijn. In de jurisprudentie is naast de wettelijke uitzonderingen nog een uitzonderingsgrond in de jurisprudentie geformuleerd. Deze uitzondering houdt in dat sprake kan zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

In recente jurisprudentie is met name ingegaan op de vraag wanneer een brief of geschrift voorwerp van het strafbare feit uitmaakt of tot het begaan daarvan heeft gediend, ofwel wanneer is sprake van corpora en/of instrumenti delicti. In beginsel mogen immers alleen deze stukken in beslag genomen worden gedurende een doorzoeking bij een verschoningsgerechtigde.

Bepleit werd dat de termen corpora en instrumenti delicti beperkt moeten worden geïnterpreteerd en een zelfstandige betekenis moeten hebben bij het vermeende strafbare feit. Advocaat-generaal Knigge concludeerde bijvoorbeeld nog op 6 oktober 2015 dat de computer en de printer de hulpmiddelen zouden kunnen zijn waarmee het strafbare feit van valsheid en geschrifte zou zijn gepleegd. Hoewel Knigge erkent dat deze hulpmiddelen vanuit het oogpunt van de waarheidsvinding niet bijster interessant zijn, benadrukt hij dat de waarheidsvinding in artikel 98, lid 5, Sv nu juist niet voorop staat. Op 5 januari 2016 oordeelde de Hoge Raad echter het volgende: “De vraag of een in beslag te nemen of in beslag genomen stuk ‘voorwerp van het strafbare feit uitmaakt’ of ‘tot het begaan daarvan heeft gediend’ laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar is in het bijzonder afhankelijk van de aard van het in beslag te nemen of in beslag genomen stuk en de aard van het delict dat zou zijn begaan door de (rechts)persoon jegens wie de verdenking is gericht, alsmede de feitelijke gedragingen die hem in dat verband worden verweten.”

Dit criterium is ons inziens alles behalve eenduidig. Misbruik – en dat is niet enkel beperkt tot de beroepsgroep van de advocatuur – ligt bij een dergelijk criterium wellicht op de loer. Het Openbaar Ministerie hoeft immers enkel een zeer ruim feitenpallet te omschrijven om op die manier zoveel mogelijk stukken in beslag te kunnen nemen. Hoe ruim dit criterium ook moge zijn, de Hoge Raad ziet nog wel streng toe op de motivering van rechtbanken die dit criterium hanteren. In een recent arrest voegde de Hoge Raad nog een zinsnede toe aan voornoemd criterium: “Gezien de aard van het verschoningsrecht zal de beklagrechter bij de beoordeling daarvan de nodige behoedzaamheid in acht moeten nemen. In ieder geval moeten de door de hem vastgestelde feiten en omstandigheden zijn oordeel dat het in beslag genomen stuk ‘voorwerp van het strafbare feit uitmaakt’ of ‘tot het begaan daarvan heeft gediend’, kunnen dragen.”

De Hoge Raad maakt dus duidelijk dat rechtbanken hun beslissingen goed moeten motiveren. Wij menen dat deze toevoeging van de Hoge Raad niet meer is dan een doekje voor het bloeden dat tenminste nog een motiveringsverplichting in het leven roept. Het ruime criterium van de Hoge Raad maakt dat rechtbanken alle kanten op kunnen met hun motivering en de Hoge Raad de feitelijke juistheid niet meer kan toetsen. Dergelijke jurisprudentie draagt bij aan de uitholling van het verschoningsrecht. Daartegen zullen wij ons moeten blijven verzetten.

Hoe kijk jij aan tegen het gehanteerde criterium door de Hoge Raad? Biedt het nog enige bescherming van het verschoningsrecht?

Geen reacties

Plaats een reactie