#168: Verblind door het maatschappelijk belang?

Wij schreven al eerder over het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal dat in het huidige wetboek van strafvordering (Sv) een bijzondere bewijswaarde heeft. Artikel 344 (2) Sv bepaalt dat een strafbaar feit bewezen kan worden verklaard op grond van een door een opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal. In #148 stelden wij aan de orde welke consequentie zou moeten worden verbonden aan een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek indien dat vormverzuim bestaat uit een onjuist en/of misleidend ambtsedig proces-verbaal. In geval van een doelbewuste schendig levert de sanctie van niet-ontvankelijkheid ons inziens het gewenste signaal op om dergelijke fouten in de toekomst te voorkomen. De trend in de jurisprudentie is echter dat een fout in een ambtsedig proces-verbaal – na ontdekking – wordt hersteld en om die reden niet als onherstelbaar vormverzuim wordt gekwalificeerd. Een aantal recente uitspraken tonen echter dat dit vormverzuim een meer structureel dan incidenteel karakter lijkt te krijgen waardoor het vertrouwen in het ambtsedig proces-verbaal onherstelbaar wordt aangetast. Is het structurele karakter dan niet voldoende reden om dit probleem serieus aan te pakken?

Het Hof Amsterdam oordeelde in april over een zaak waarin de betrokkene werd verdacht van diefstal van een zogenaamde loktelefoon. Hof Amsterdam overweegt dat zich twee met elkaar tegenstrijdige processen-verbaal in het dossier bevinden. In een van de processen-verbaal verklaart de verbalisant dat hij de verdachte herkent op een foto, zoals gemaakt door de gestolen loktelefoon. Hoewel dat proces-verbaal op zich voldoende is om tot een veroordeling te komen, blijkt uit het andere proces-verbaal dat de verdachte niet op de foto’s – afkomstig van de loktelefoon – staat afgebeeld. Ook blijkt uit een ander proces-verbaal dat bij de verdachte wel een telefoon is aangetroffen, maar niet de bedoelde loktelefoon. Hof Amsterdam spreekt de verdacht vrij van diefstal. Dat sprake zou (kunnen) zijn van een vormverzuim is niet aan de orde geweest in het arrest.

De jurisprudentie toont dat verbalisanten niet alleen onjuiste verklaringen opschrijven maar ook onjuiste verklaringen onder ede afleggen. Een maand voor voornoemde zaak werd Hof Amsterdam een andere kwestie voorgeschoteld. De betrokkene werd in die zaak ervan verdacht verboden middelen te koop te hebben aangeboden. Het hof heeft geoordeeld dat de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring door de verbalisant niet overeenkomt met de werkelijkheid. Een deel van de in het door de verbalisant opgemaakte proces-verbaal beschreven handelingen zijn namelijk niet door hem uitgevoerd. Het hof is van oordeel dat het door de verbalisant opgemaakte proces-verbaal dat zich in het dossier bevindt daarom niet bruikbaar is voor het bewijs. Het hof spreekt de verdachte vrij van het ten laste gelegde. In het arrest is opgenomen dat het hof nog heeft stilgestaan bij zijn beslissing van 6 maart 2015 in een andere zaak. In die zaak heeft Hof Amsterdam het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard omdat het proces-verbaal van de politie niet naar waarheid is opgemaakt.

Toch neemt Hof Amsterdam in de zaak van maart van dit jaar een andere beslissing. Zonder de vaststelling dat sprake is van zeer onzorgvuldig handelen waardoor de belangen van de verdachte zijn geschaad kan niet-ontvankelijkheid op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad niet worden uitgesproken. Uit het arrest is op te maken dat de onjuistheden in het proces-verbaal te wijten zijn aan een wijziging in de procedure bij het opmaken van een proces-verbaal met de hulp van de computer. Aan de eisen van niet-ontvankelijkheid, zoals gesteld door de Hoge Raad, is dus niet voldaan. Onvoldoende bewijs voor een bewezenverklaring resteert dan en vrijspraak volgt.

De veelheid aan voorbeelden van fouten en onjuistheden in processen-verbaal is het argument tegen de bijzondere bewijswaarde van processen-verbaal die zijn opgemaakt door een opsporingsambtenaar. Een fout – doelbewust of niet – zit in een klein hoekje en kan grote gevolgen hebben. Door dergelijke fouten door de vingers te zien worden politie en justitie onvoldoende geprikkeld iets te doen aan dit structurele probleem. Dat dergelijke zaken toch worden vervolgd laat zien dat het Openbaar Ministerie zich ook niet gevoelig toont voor dergelijke fouten. Het maatschappelijk belang van vervolging wordt veelal als mantel der liefde aangevoerd. Het maatschappelijk belang werkt verblindend waardoor fouten van de overheid door de vingers worden gezien. Is dat dan in het maatschappelijk belang? Strengere maatregelen zijn kennelijk nodig. In #05 van Lawlunch.com opperden wij disciplinaire maatregelen bij het begaan van dergelijke (doelbewuste) fouten nu door de minimale toepassing van artikel 359a Sv hier onvoldoende preventieve werking vanuit gaat.

Wat is jouw ervaring met processen-verbaal in de zin van 344 (2) Sv? En hoe gaat de rechter om met verweren tegen de betrouwbaarheid daarvan?

Geen reacties

Plaats een reactie