#162: Appels en peren

Medeplegen en medeplichtigheid zijn als appels en peren; het zijn toch écht twee verschillende dingen. Dat bevestigde de Hoge Raad in het arrest van 2 december 2014 nog eens heel duidelijk. Dat het onderscheid niet eenvoudig te maken is, kan niet worden ontkend. Juist daarom moet heel zorgvuldig naar de feiten worden gekeken. Het 2 december-arrest was een zeer welkom arrest. De jurisprudentie toonde legio voorbeelden aan waarin de verdachte werd veroordeeld voor het medeplegen terwijl uit de feiten niet overtuigend bleek dat sprake was geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking aan een strafbaar feit. In die gevallen lag het verwijt van medeplichtigheid misschien meer in de rede. Maar alleen als medeplichtigheid ook ten laste is gelegd, kan de verdachte daarvoor worden veroordeeld. In de praktijk krabt het Openbaar Ministerie zich in thans lopende zaken nog wel eens achter de oren of in het verleden wel zo scherp op dit onderscheid is gelet. Dat het arrest van de Hoge Raad een enorme impact heeft gehad staat als een paal boven water en wordt bevestigd door conclusies van Hofstee en Spronken.

Advocaten-generaal Spronken en Hofstee zijn met het arrest van 2 december 2014 in de hand eens goed gaan zitten voor zaken waar in cassatie is geklaagd over de bewezenverklaring van medeplegen. Het resultaat: twee lezenswaardige conclusies van 14 april jl., één van Hofstee en één van Spronken. De conclusies worden ingeleid met een verwijzing naar de overweging van de Hoge Raad in het arrest van 2 december 2014 dat de vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat sprake is van medeplegen, een belangrijke en tegelijkertijd een moeilijke vraag is. Deze constatering wordt volgens Spronken en Hofstee bevestigd door de regelmaat waarmee hierover bij de Hoge Raad wordt geklaagd.

Om die reden hebben Spronken en Hofstee ‘uit het aanbod’ zeven cassatiezaken geselecteerd waarbij een conclusie is geschreven. Met name de gezamenlijk algemene beschouwing en het beslismodel zijn voor de praktijk zeer interessant. Voor medeplegen moet uit de bewijsvoering blijken dat sprake is van bewuste en nauwe samenwerking waarbij de bijdrage van de verdachte intellectueel en/of materieel van voldoende gewicht moet zijn.

Maar wanneer is sprake van voldoende gewicht? Daarbij onderscheiden Hofstee en Spronken twee modaliteiten: i) gezamenlijke uitvoering van het feit of ii) gedragingen die voor, tijdens of na het feit hebben plaatsgevonden. Van intellectuele en/of materiele bijdrage van gewicht is geen sprake indien uit de bewijsmiddelen ‘alleen maar’ blijkt dat i) de verdachte aanwezig is geweest bij het delict, maar geen uitvoeringshandeling heeft verricht en ii) zich niet van het delict heeft gedistantieerd. Een uitzondering lijkt volgens Spronken en Hofstee mogelijk indien sprake is van ‘delicten die bestaan uit (bedreigingen) met geweld in groepsverband’.

Voor ieder van de modaliteiten – of een combinatie daarvan – geldt verder dat als de intellectuele en/of materiële bijdrage ‘enkel’ het delict heeft bevorderd of gemakkelijk heeft gemaakt in beginsel in de weg staat aan het aannemen van medeplegen. Dan is sprake van medeplichtigheid. Een andersluidend oordeel zal goed gemotiveerd moeten worden.

De tweede modaliteit ziet op situaties waarbij de verdachte niet op het moment van het plegen van het delict aanwezig is en ook niet aan de feitelijke uitvoering van het delict heeft deelgenomen. In dat geval moet het gaan om bijdragen die van wezenlijk belang zijn bij het delict. Spronken en Hofstee geven voorbeelden waar we aan moeten denken in geval van een wezenlijk belang: i) het vervullen van een sturende en leidende rol, al dan niet achter de schermen of op afstand, ii) het initiatief nemen of de uitdenker zijn van het strafbare feit of iii) anderszins handelingen die in combinatie met elkaar van zodanig gewicht zijn dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Ook in deze gevallen dient goed gemotiveerd te worden waarom sprake zou zijn van medeplegen. In het geval de verdachte alleen na de uitvoering van het strafbare feit enige rol heeft gespeeld kan volgens Spronken en Hofstee geen sprake zijn van medeplegen. In dat geval is alleen ruimte voor medeplichtigheid mits de bewijsmiddelen een bewezenverklaring daarvoor rechtvaardigen.

Hoewel altijd discussie zal bestaan over wat ‘een substantiële’ of ‘wezenlijke’ bijdrage is en hoe de twee modaliteiten als communicerende vaten kunnen werken, geven de advocaten-generaal zeer bruikbare handvatten voor de praktijk. De zaken die Spronken en Hofstee in de hiervoor aangehaalde conclusies hebben beoordeeld, kunnen de toets van hun beslismodel niet doorstaan. Ons inziens zou de Hoge Raad eensluidend moeten oordelen. Wij zullen de komst van de arresten in ieder geval in de gaten houden.

Wat is jouw ervaring sinds het arrest van 2 december 2014? Zijn de door jou gevoerde verweren sneller succesvol? En is de huidige tendens dat het Openbaar Ministerie voor twee ankers – zowel medeplegen als medeplichtigheid – gaat liggen of wordt een afgewogen keuze gemaakt?

Geen reacties

Plaats een reactie