#161: De Schijnzekerheid van de inkeerregeling

De relatie tussen inkeren en witwassen blijft een terugkerend onderwerp. Met name vanaf het moment dat de Hoge Raad op 7 oktober 2008 heeft geoordeeld dat een fiscaal delict als gronddelict voor witwassen kan dienen, houdt de relatie tussen deze twee onderwerpen de gemoederen bezig. Een recent arrest van 5 april jl. van de Hoge Raad bevestigt dit nog eens. Wanneer sluit een rechtmatig gebruik van de inkeerregeling vervolging van witwassen uit?

De strafrechtelijke inkeerbepaling van artikel 69, lid 3 AWR staat in de weg aan strafvervolging op grond van artikel 69, lid 1 en lid 2 AWR indien de belastingplichtige alsnog de juiste en volledige aangifte doet vóórdat hij redelijkerwijs moet vermoeden dat men hem op het spoor is. Naar aanleiding van voornoemd arrest uit 2008 – waarin de Hoge Raad oordeelde dat een fiscaal delict als gronddelict voor witwassen kon dienen – zijn destijds Kamervragen gesteld. Aandacht werd gevraagd voor de ‘angst’ die het arrest uit 2008 veroorzaakte dat belastingplichtigen geen gebruik meer zouden maken van de inkeerregeling omdat een risico bleef bestaan dat de belastingplichtige, ondanks de inkeermelding, voor witwassen zou worden aangepakt. De afspraak tussen het Openbaar Ministerie en Belastingdienst werd dat geen strafvervolging voor witwassen zou worden ingesteld in het geval van inkeer in situaties van belastingontduiking door het verzwijgen van legale inkomsten.

De zaak die aan de orde was bij de Hoge Raad in het arrest van 5 april 2016 betreft een bijzondere situatie. In deze zaak heeft de tante van de verdachte een geldbedrag aan zijn moeder geschonken. Het ging om geld dat niet was aangegeven bij de Belastingdienst en de verdachte wist dat. De verdachte is niettemin met zijn moeder afgereisd naar Luxemburg. Hij heeft het geldbedrag daar contant opgenomen en dit bedrag vervolgens aan zijn moeder overhandigd. De verdachte heeft nadien namens zijn moeder contact opgenomen met de Belastingdienst en melding gemaakt van het vermogen. Met een beroep op de inkeerregeling is alsnog vermogensbelasting afgedragen. Deze inkeer kwam de verdachte echter duur te staan. Hij werd zelf namelijk alsnog vervolgd voor witwassen. Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor witwassen omdat de verdachte ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen niet zelf – maar zijn moeder – belastingplichtig was waardoor de inkeerregeling niet op hem van toepassing was.

Waar de advocaat van de verdachte in zijn middel tegen het arrest van het hof een beroep doet op de eerder benoemde afspraak tussen het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst, tovert de advocaat-generaal een oud arrest uit de hoge hoed op grond waarvan het cassatieberoep zou moeten slagen. In het arrest van 18 maart 1997 (NJ 1998/71) overwoog de Hoge Raad namelijk dat de inkeerregeling niet zonder meer een strafvervolging ter zake van overtreding van een strafbepaling als art. 225 Sr uitsluit, maar:

“6.6. Wel kunnen beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat, indien vervolging van het fiscale misdrijf op grond van art. 68, derde lid, AWR is uitgesloten, niet alsnog ter zake van het desbetreffende feitencomplex een op overtreding van art. 225 Sr toegespitste strafvervolging wordt ingesteld. Daarvan is sprake indien die vervolging in het concrete geval er kennelijk toe strekt om aan art. 68, derde lid, AWR zijn effect te ontnemen en in zoverre in strijd is met de strekking van genoemde bepaling, te weten dat enerzijds zoveel mogelijk dient te worden bevorderd dat de betrokkene vrijwillig corrigerend optreedt, waardoor het fiscale nadeel dat zijn voorafgaande overtreding heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken kan worden hersteld of voorkomen en dat anderzijds zoveel mogelijk wordt voorkomen dat de betrokkene door de vrees voor strafvervolging ertoe wordt gebracht ook in volgende aangiften onjuiste opgaven te doen teneinde te voorkomen dat eerdere voor de belastingheffing relevante onregelmatigheden aan het licht komen.”

De Hoge Raad overweegt in het recente arrest van 5 april 2016 dat ook in geval van witwassen de algemene beginselen van behoorlijke procesorde met zich mee kunnen brengen dat indien vervolging voor het fiscale misdrijf vanwege een geldige inkeermelding is uitgesloten, ook geen vervolging voor witwassen kan plaatsvinden ter zake van het desbetreffende feitencomplex. Wegens een motiveringsgebrek casseert de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug.

Wij menen dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bedoeling van de inkeerregeling en het arrest van 1997. De moeder was uiteraard nooit ingekeerd als zij wist dat dit tot vervolging van haar kind zou leiden. Dit geldt temeer nu de verdachte een actieve bijdrage heeft gehad bij de inkeermelding. Hoewel wij menen dat het arrest van de Hoge Raad weinig zekerheid geeft aan de belastingplichtige om met een gerust hart in te keren, geeft het de verdediging de nodige handvatten om alsnog de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te bepleiten.

Heb jij in de praktijk vervolging voor commune strafbare feiten kunnen voorkomen na een geldige inkeer met een beroep op de algemene beginselen van behoorlijke procesorde? Wij vernemen graag jouw ervaringen.

Geen reacties

Plaats een reactie