#151: Rechtmatig beïnvloeden?

De zogenaamde ‘tipgeversaffaire’ blijft de aandacht trekken. Op 11 november 2014 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden aangifte gedaan tegen een aantal leden van het Ministerie van Financiën omdat zij getuigen zouden hebben geïnstrueerd geen verklaring af te leggen in de ‘tipgeversaffaire’ terwijl die getuigen daartoe in de ogen van het hof wel verplicht waren. Inmiddels heeft de Hoge Raad zich over die vraag uitgelaten. De Hoge Raad heeft op 18 december 2015 geoordeeld dat een inspecteur niet kan worden gedwongen om informatie prijs te geven die een inspecteur in diezelfde procedure niet wil verstrekken. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 29 januari 2016 in een persbericht laten weten dat het geen prijs meer stelt op de vervolging van de personen waartegen het hof aangifte heeft gedaan in verband met de beslissing van de Hoge Raad. Dit persbericht roept bij ons de nodige vragen op.

De zaak draait om een tipgever die in 2009 namen en andere gegevens van zwartspaarders aan de Belastingdienst verkocht. Naar aanleiding daarvan zijn navorderingsaanslagen opgelegd. Een aantal belanghebbenden ging daartegen in beroep en eiste bij de rechtbank dat de Belastingdienst de identiteit van de tipgever bekendmaakte om onder meer de betrouwbaarheid van de informatie te kunnen vaststellen. In een tussenvonnis stelde de rechtbank vast dat de identiteit van de tipgever onthuld moest worden. De Belastingdienst ging niet in beroep tegen deze beslissing in dit tussenvonnis. Niettemin werd de identiteit van de tipgever niet verstrekt met een beroep op artikel 8:31 Awb.

In de hoger beroepsprocedure tegen de navorderingsaanslagen zijn een tweetal inspecteurs als getuigen gevraagd naar de identiteit van de tipgever. Het hof oordeelt dat de getuigen hieromtrent geen verschoningsrecht toekomt. Niettemin beroepen de getuigen zich op hun verschoningsrecht omdat zij – zo verklaarden zij na enig aandringen – deze instructie van hogerhand hadden gekregen. Naar aanleiding van deze instructie dient de president van het Hof Arnhem-Leeuwarden een aangifte in vanwege het beïnvloeden van getuigen. Als gezegd heeft het hof in een persbericht laten weten dat het geen prijs meer stelt op een vervolging omdat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de getuigen wel degelijk een beroep op het verschoningsrecht mochten doen. De vraag is of het hof daarmee een juiste interpretatie geeft aan het delict ‘het beïnvloeden van getuigen’.

Het beïnvloeden van getuigen is strafbaar gesteld in het wetboek van Strafrecht. Blijkens artikel 285a Wetboek van Strafrecht is daarvan sprake in het volgende geval: Hij die opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding zich jegens een persoon uit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.  Hierover schreven wij reeds in artikel #142. Uit de parlementaire geschiedenis en het arrest van de Hoge Raad van 30 augustus 2005 volgt dat het rechtsgoed dat door artikel 285a Sr wordt beschermd niet zozeer de waarheid van de verklaring is, maar de vrijheid om onbelemmerd te kunnen verklaren.

De instructie – ofwel mogelijke beïnvloeding – op zich staat dus centraal en niet de vraag of naar waarheid is verklaard danwel dat de getuigen achteraf bezien een beroep mochten doen op het verschoningsrecht. Het is immers aan de getuigen zelf om te bepalen of zij een verklaring wensen af te leggen. Dit geldt ons inziens eveneens voor ambtenaren in dienst van de overheid. Wij vragen ons dus af wat de achterliggende gedachte is van het persbericht van het hof. Wil het hof hiermee zeggen dat je als werkgever instructies mag geven aan je werknemer over het al dan niet verklaren of het gebruik maken van je verschoningsrecht? In dat geval zouden wij menen dat dit dan niet alleen voor de overheid zou moeten gelden maar ook voor andere dienstbetrekkingen. Bijvoorbeeld de situatie dat een werknemer wordt opgeroepen door de FIOD. Mag de werkgever dan de instructie geven aan de werknemer om geen verklaring af te leggen omdat hij daartoe niet verplicht is? Of heb je als ambtenaar, als werknemer van de overheid, minder autonomie? Of heeft het hof enkel gemeend dat een overheid geen instructie mag geven die in strijd is met een beslissing van het hof en heeft het daarmee een onjuiste interpretatie gegeven aan artikel 285a Sr? Kortom, zonder nadere toelichting blinkt het persbericht van het hof geenszins uit in helderheid. Staat het geven van een instructie aan een getuige gelijk aan beïnvloeding? Uiteraard is dit afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Het is niet het hof maar het Openbaar Ministerie dat een vervolgingsbeslissing zal nemen in deze zaak. Wij zijn – en ongetwijfeld velen met ons – benieuwd welke redenen het Openbaar Ministerie aandraagt om al dan niet over te gaan tot vervolgen.

Hoe interpreteer jij het persbericht van het hof ten aanzien van de betekenis van artikel 285a Sr?

Geen reacties

Plaats een reactie