#142: Voorbereiding of beïnvloeding?

De verklaringsvrijheid van getuigen is van groot belang in het strafproces. Getuigen kunnen immers bijdragen aan de waarheidsvinding die centraal staat (of moet staan). Beïnvloeding van getuigen is dan ook uit den boze en zelfs strafbaar gesteld in artikel 285a wetboek van strafrecht. Dit betekent uiteraard niet dat de verdediging geen contact mag hebben met getuigen. Sterker nog, het is zelfs de taak van de verdediging te verifiëren of een potentiële getuige ontlastend kan verklaren. De gedragsregels staan ook toe dat de verdediging contact heeft met getuigen die zij zelf wenst op te roepen alsmede met getuigen die in een bijzondere relatie tot de cliënt staat. Kesteloo schreef hierover in Delikt en Delinkwent al eens een lezenswaardig artikel.[1] Contact met de getuige is dus – ook voor de verdediging – toegestaan. Maar wanneer is de grens van strafbare beïnvloeding van de getuige bereikt?

Het beïnvloeden van getuigen is strafbaar gesteld in het wetboek van Strafrecht. Blijkens artikel 285a Wetboek van Strafrecht is daarvan sprake in het volgende geval: Hij die opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding zich jegens een persoon uit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie. Uit dit artikel en uit de jurisprudentie blijkt dat van beïnvloeding niet zomaar sprake is. Rechtbank Amsterdam overwoog in het vonnis van 1 november 2013 dat het rechtsgoed dat door artikel 285a Sr wordt beschermd niet zozeer de waarheid van de verklaring is, maar de vrijheid van onbelemmerd te kunnen verklaren. Uiteraard met het doel om de waarheidsvinding in een strafprocedure te waarborgen. Het artikel beoogt beïnvloeding van welke partij dan ook – dus niet alleen getuigen – te voorkomen.

In de genoemde uitspraak oordeelde de rechtbank dat artikel 285a Sr was geschonden. De verdachte advocaat in kwestie had volgens de rechtbank met een cliënt – die hij in een strafzaak verdedigde – samengespannen om een getuige, die bij de rechter-commissaris zou worden gehoord, een voor zijn cliënt gunstige verklaring te laten afleggen. De getuige zou in zijn verklaringsvrijheid zijn belemmerd doordat de advocaat en zijn cliënt de getuige hadden gezegd wat hij moest verklaren bij de rechter-commissaris. Daartoe is de getuige door de cliënt van de verdachte advocaat een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld. Ook zijn in deze zaak briefjes aangetroffen met instructies aan (andere) getuigen. Het betrof overigens een bijzondere situatie, zoals ook blijkt uit het vonnis. In het vonnis is verder nog opgenomen dat de rechtbank zich niet aan de indruk kon onttrekken dat de verdachte zelf (ook) onder druk is gezet. Niettemin oordeelde de rechtbank dat hij strafbaar had gehandeld.

Dat niet alleen advocaten kunnen worden geconfronteerd met artikel 285a Sr blijkt wel uit de recente artikel 12 Sv procedure tegen het niet-vervolgen van een officier van justitie in verband met de strafbare beïnvloeding van een getuige en meineed. Hof Den Haag heeft het beklag op 27 oktober 2015 afgewezen. Volgens klager zou de officier van justitie een getuige – een opsporingsambtenaar – in zijn verklaringsvrijheid hebben belemmerd. De officier van justitie zou samen met de getuige hebben geluncht, in een kamer hebben gezeten en de door de griffier opgemaakte weergave van de afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris hebben besproken. De officier van justitie lichte toe dat hij de getuige erop had gewezen dat de weergave van de verklaring van de getuige bij de rechter-commissaris niet op alle punten overeenkwam met hetgeen hij had verklaard. Daarnaast had de officier met de getuige een broodje gegeten omdat de getuige had aangegeven niet bekend te zijn in de buurt. De officier heeft ook toegelicht dat hij nooit de intentie heeft gehad de getuige te beïnvloeden. Het Hof overweegt dat er geen enkel aanknopingspunt is voor een verdenking als bedoeld in artikel 27 Sv, van strafbare beïnvloeding van een getuige of meineed.

Zoals uit voorgaande jurisprudentie blijkt, lijkt de intentie om de getuige te beïnvloeden en ‘woorden in de mond te leggen’ cruciaal te zijn. Wat is jouw ervaring met dergelijke kwesties? Hoe ver mag je gaan in de voorbereiding van een getuigenverhoor?

[1] L. Kesteloo, ‘De voorbereiding van getuigen in strafzaken’, Delikt en Delinkwent, 2012, 66.

Geen reacties

Plaats een reactie