#134: Something old, something new..

De plannen voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering zijn klaar. Dit blijkt uit de brief van 30 september 2015 van minister Van der Steur aan de Tweede Kamer. De brief betreft een eerste formele stap naar het moderne wetboek. Van der Steur kondigt aan dat het wetboek gemakkelijker in gebruik zal zijn en dat het de kwaliteit van de strafrechtspleging zal verhogen. De wetsvoorstellen worden in vier verschillende tranches ingevoerd. Volgens de planning zal de laatste tranche in december 2018 in het Staatsblad worden gepubliceerd. Over de voortgang van de plannen wordt tijdens het (tweede) Congres over de modernisering van het Wetboek van Strafvordering op 15 oktober a.s. verder gesproken. De plannen voor het nieuwe wetboek – opgenomen in de contourennota waar wij al eerder aandacht aan hebben besteed in artikel 118 en artikel 102 – zijn tot stand gekomen in intensief overleg met politie, Openbaar Ministerie, rechtspraak, advocatuur en met vertegenwoordigers uit de wetenschap. Maar zal het nieuwe wetboek haar doelen waarmaken?

Uit de brief van Van der Steur is op te maken dat het primaire doel is te voorzien in een wetboek waarin zo veel mogelijk wordt bevorderd dat een adequate justitiële reactie kan worden gegeven op strafbaar gedrag. Daarbij dient gewaarborgd te zijn dat het onderzoek in een strafzaak vanaf het begin zowel zorgvuldig als ook voortvarend plaatsvindt. Het uit het EVRM voortvloeiende recht op een eerlijk proces is van belang, dat onder meer inhoudt dat in voldoende mate is voorzien in het recht op rechtsbijstand, ‘equality of arms’ en andere verdedigingsrechten zoals het recht op kennisname van processtukken. Ook wordt in het wetboek een duidelijke regeling van de bevoegdheden en de procespositie van de verschillende deelnemers aan de strafrechtspleging opgenomen, waarbij is voorzien in een evenwichtig stelsel van rechtswaarborgen en een juiste afweging van de verschillende belangen van de procesdeelnemers. Een nobel streven, maar enige scepsis roept het wel op binnen de advocatuur. Een mogelijkheid om de naleving van deze rechten van de verdachte af te dwingen heeft de verdediging niet of nauwelijks. Het is de vraag of daar verandering in komt en of de praktijk mee verandert.

Uit de brief blijkt dat van het Openbaar Ministerie kan worden verwacht dat de verdediging tijdig de beschikking krijgt over (tenminste een deel van) de processtukken teneinde bijvoorbeeld onderzoekswensen te kunnen formuleren. Van het Openbaar Ministerie mag ook worden verwacht dat – mede in het licht van de EHRM rechtspraak – het ondervragingsrecht van de verdediging van getuigen, die een belangrijke factor zullen vormen in ‘de beoogde bewijsconstructie’, wordt verwezenlijkt. Zonder toegang tot alle processtukken wordt dit uiteraard een illusoir recht. En hoe zit het dan met al die andere getuigen? Bijvoorbeeld die getuigen die een ontlastende verklaring kunnen afleggen en dus niet binnen de ‘bewijsconstructie’ bijdragen. Het Openbaar Ministerie dient nog altijd aan waarheidsvinding te doen. Ook andere getuigen, die kunnen verklaren over een voor de verdachte ontlastend scenario, dienen gehoord te worden. Daartoe dient de verdediging in een zo vroeg mogelijk stadium gelegenheid te krijgen, mede door toegang tot het procesdossier. Dat zal de waarheidsvinding ten goede komen en potentieel zal het onnodige werkzaamheden voorkomen.

Blijkens de brief kan verder van de rechter-commissaris worden verwacht dat hij een proactieve houding van het Openbaar Ministerie en de verdediging in deze bevordert. Instrumenten die hiertoe kunnen worden ingezet zijn bijvoorbeeld het stellen van termijnen of het houden van een regiebijeenkomst. Deze bevoegdheden heeft de rechter-commissaris echter al sinds de invoering op 1 januari 2013 van de Wet Versterking Positie rechter-commissaris. Blijkens de brief blijkt de verhouding tussen de officier van justitie en de rechter-commissaris ongewijzigd met dien verstande dat de rechter-commissaris meer mogelijkheden krijgt voor de regievoering in verband met onderzoekswensen. Ook dit roept de vraag op hoe het nieuwe wetboek daaraan invulling zal geven en of dat afdoende is om verandering in de praktijk te bewerkstellingen. In dat kader is het artikel van Prof. Mr. J.M. Reijntjes in het Strafblad, eerder dit jaar, zeer lezenswaardig.[1] Onder meer komt de vraag aan de orde hoe invulling zal worden gegeven in het nieuwe wetboek aan wie regie voert over welke fase van de procedure: de rechter-commissaris of de zittingsrechter? Dat de wet deze verdeling en welke rechter eindverantwoordelijk is over welke fase glashelder moet maken, blijkt ook uit de contourennota. Hoe dat exact zal gebeuren echter nog niet. Reijntjes vraagt verder aandacht voor de vraag wat precies onder regie moet worden verstaan en op welke wijze de rechter-commissaris ‘equality of arms’ zou kunnen effectueren op het moment dat hij de regie heeft. Ook vraagt hij – ons inziens – terecht aandacht voor de attitude van de procesdeelnemers: ‘Zoals dat bij meer van de voorgenomen herzieningen van de strafvordering het geval is, moet hier meer veranderen dan alleen maar een wetboek. Sterker: een wetswijziging zal nauwelijks effect sorteren wanneer zij niet gepaard gaat met een stevige omslag in attitude en een sterk verbeterde organisatie. Zonder het afzweren van ingesleten praktijken valt hier weinig te winnen. Dit geldt voor de advocatuur niet minder dan voor de gerechten.’

Wat vind jij van de modernisering van het wetboek? Zijn de voorgestelde middelen voldoende om de gestelde doelen te halen? Ga jij naar het congres om de advocatuur te vertegenwoordigen?

[1] Prof. mr. J.M. Reijntjes, ‘De rechter-commissaris als regisseur’, Strafblad, 2015, afl. 3.

Geen reacties

Plaats een reactie