#132: ‘Het een en ander is niet goed gegaan’

Over de Landlord zaak is het laatste nog niet gezegd of geschreven. Rechtbank Limburg heeft het Openbaar Ministerie op 11 oktober 2013 niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachten in deze vastgoedfraudezaak. De Rechtbank heeft grove en doelbewuste schendingen van het recht op een eerlijk proces van de verdachten geconstateerd. De Rechtbank overwoog destijds: ‘Simpel gezegd, hebben naar het oordeel van de rechtbank té veel en té ernstige onrechtmatigheden plaatsgevonden om te kunnen zeggen dat de verdachte een eerlijk proces heeft kunnen hebben. De manier waarop het openbaar ministerie zich in deze strafzaak heeft opgesteld, is niet de manier waarop een strafproces in Nederland dient te worden gevoerd. Tegen deze achtergrond moet het belang van de verdachte, maar ook van de samenleving, op een eerlijk proces prevaleren boven het belang op strafvervolging.’ Het Openbaar Ministerie is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan en meent dat de Rechtbank één en ander te zwart wit ziet. Het arrest van het Hof wordt binnenkort verwacht. Hier alvast een opfrisser van de zaak in het licht van het aanstaande arrest.

Blijkens het vonnis van de Rechtbank hebben zich de nodige onregelmatigheden voorgedaan gedurende het onderzoek. Zo heeft de officier van justitie meer dan eens geweigerd te voldoen aan het bevel van de Rechtbank om verklaringen van een bepaalde getuige aan het dossier toe te voegen dan wel aan de rechter-commissaris ter inzage te geven. De achterliggende reden is dat de betreffende getuige had bedongen dat het Openbaar Ministerie zijn verklaring niet zou gebruiken zonder zijn toestemming. Die toestemming is uitgebleven. Zonder inzage in deze verklaringen heeft de verdediging niet kunnen controleren of de getuige ontlastend heeft verklaard. Noch heeft de verdediging kunnen controleren of de door deze getuige verstrekte informatie is gebruikt in het verdere onderzoek. Het horen van de betrokken opsporingsambtenaren en de bewuste getuigen bij de rechter-commissaris heeft dit niet kunnen herstellen omdat de meeste getuigen hebben geweigerd antwoord te geven. De Rechtbank oordeelde dat het recht op kennisname van alle voor een strafzaak relevante stukken – ongeacht enig verbod door een civiele rechter – een voorwaarde is voor een eerlijk proces. De Rechtbank oordeelde verder dat de officier van justitie gedurende het proces onjuiste dan wel onvolledige informatie heeft verstrekt. De Rechtbank neemt dit het Openbaar Ministerie kwalijk omdat de Rechtbank en de verdediging moeten kunnen vertrouwen op de juistheid van de mededelingen van de officier van justitie.

Ook tijdens de verhoren van politieambtenaren is het nodige voorgevallen. Een van de politieambtenaren, die als getuige is gehoord, zou op aanraden van de rechter-commissaris in een aparte ruimte zijn verklaring hebben nagelezen. In werkelijkheid bleek dat hij door een officier van justitie is meegenomen naar zijn werkkamer en daar contact heeft gehad met een andere officier van justitie die zojuist zelf door de rechter-commissaris als getuige was gehoord. Deze officier van justitie heeft meegelezen met de politieambtenaar en is met hem in gesprek gegaan over een onderdeel ervan.

De Rechtbank overweegt: ‘Het is binnen het strafrecht – populair gezegd – een ‘doodzonde’ wanneer getuigen onderling contact hebben over de door hen af te leggen of afgelegde verklaringen. Dit uiteraard om te voorkomen dat verklaringen onderling op elkaar worden afgestemd. Wanneer deze getuigen dan ook nog eens een, zij het zijdelings, bij de strafzaak betrokken officier van justitie en verbalisant blijken te zijn, maakt dat een en ander nog erger. De rechtbank is dan ook verbijsterd over deze gang van zaken. Dit handelen van een officier van justitie, die nota bene vanwege zijn ervaring als ‘klankbord’ in deze strafzaak fungeert en zelf kort daarvoor ook als getuige is gehoord, kan niet worden afgedaan als “een betreurenswaardige fout van een professional” maar is in strijd met alle beginselen van een behoorlijke procesorde.’

Met de Rechtbank zijn wij van mening dat op basis van het voorgaande geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad is af te leiden dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie enkel in uitzonderingsgevallen tot de mogelijkheden behoort. Het is enkel aanvaardbaar wanneer bij de naleving van een bepaald aan de verdachte toekomend verdedigingsrecht de beginselen van een behoorlijke procesorde zozeer in het gedrang komen dat de niet-naleving daarvan uitsluitend een verval van het recht op (verdere) vervolging met zich mee kan brengen. Gelet op de ernst van die inbreuk is de sanctie van niet-ontvankelijkheid ons inziens de juiste.

Heldere taal van de Rechtbank. Niettemin is het Openbaar Ministerie in hoger beroep gegaan. Op de website van het Openbaar Ministerie is toegelicht dat in hoger beroep is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie consequent en integer heeft gehandeld. Met het horen van de getuigen is recht gedaan aan de belangen van de verdediging en van liegende of bedriegende officieren zou geen sprake zijn. Enkel is rond een getuigenverhoor een ‘betreurenswaardige fout van een professional’ te constateren. Van het doelbewust of met grove veronachtzaming het recht op een eerlijk proces te schaden zou geen sprake zijn. De advocaat-generaal vindt dat ‘de rechtbank met de aanname van een opeenstapeling van vormverzuimen te snel en ongemotiveerd heeft gegrepen naar een te zwaar middel. Natuurlijk is er in de zaak het een en ander niet goed gegaan. Maar het is nooit de bedoeling geweest dat vormverzuimen hoe dan ook moeten leiden tot enig voordeel voor de verdachte. Een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is dan ook niet op zijn plaats.’ De advocaat-generaal draait het om en meent dat de fouten die het Openbaar Ministerie heeft gemaakt niet in het voordeel van de verdachte mogen werken. Ons inziens verward het Openbaar Ministerie voordelen met fundamentele mensenrechten. Dat ‘het een en ander niet goed is gegaan’ is een understatement. Stelt u zich eens voor dat een verdachte zoiets zou zeggen. Dan ligt een veroordeling klaar. De verwachting is dat het Hof op 15 oktober a.s. uitspraak zal doen over de vraag of het Openbaar Ministerie al dan niet ontvankelijk is in de vervolging van de verdachten. Wij zullen dit nauwlettend in de gaten houden.

Denk jij dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging?

Geen reacties

Plaats een reactie