#131: Fiscale versus strafrechtelijke straftoemeting

Indien de inspecteur van mening is dat opzettelijk een onjuiste aangifte is gedaan, dan wordt de vergrijpboete gebaseerd op de belastingheffing die voortvloeit uit de correcties ter zake van een of meer tekortkomingen in de aangifte waaraan de kwalificatie ‘opzet’ kan worden verbonden. In het arrest van de Hoge Raad van 4 januari 2013 (Belastingkamer) worden de overwegingen van het Hof in stand gelaten waarin het Hof deze duidelijke koppeling aanbrengt tussen de boetegrondslag en het opzet. In een recente uitspraak van het Hof Amsterdam wordt deze rechtsregel toegepast. Een reminder voor ons allen om per correctie of onderdeel van de aanslag nauwkeurig na te gaan of opzet kan worden bewezen. Ook de strafrechtadvocaat kan hier zijn voordeel mee doen.

In de zaak van het Hof Amsterdam heeft de inspecteur een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 276.730. De betreffende belastingplichtige is veroordeeld voor handel in cocaïne en de omzet die hieruit zou zijn voortgevloeid wordt aangemerkt als inkomsten uit werk en woning. Het Hof oordeelt:

“Uit de woorden ‘voor zover’ in artikel 67d, tweede lid, AWR, moet worden afgeleid dat bewijs van (voorwaardelijk) opzet aan de verweten gedraging dient te worden geleverd voor het (volledige) bedrag van de belasting dat als gevolg van opzet niet zou zijn geheven. (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 4 januari 2013, nr. 11/05310, ECLI:NL:HR:BX8543, BNB 2013/117).”

De correctie is volgens het Hof tot stand gekomen mede door toepassing te geven aan artikel 3.14, eerste lid, onderdeel d, Wet IB. In dit artikel is bepaald dat aftrek van kosten is uitgesloten indien deze kosten verband houden met misdrijven waarvoor de belastingplichtige onherroepelijk is veroordeeld. Om die reden is de gehele omzet van de belanghebbende belast en niet enkel de winst. De inspecteur heeft echter geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat het (voorwaardelijk) opzet van de belanghebbende was gericht op het ontgaan van belasting over de omzet voor zover deze de winst te boven gaat. In zoverre dient de boetegrondslag te worden beperkt tot de nettowinst en niet de gehele omzet.

In het strafrecht is de strafbepaling ruimer geformuleerd. Volgens artikel 69 AWR is het voldoende dat een verdachte opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte (bijvoorbeeld) niet of onjuist doet. In die situatie maakt het niet uit op welk onderdeel of op welke correctie het opzet ziet. De strafbepaling wordt door het opzet op een enkele correctie geactiveerd. Niettemin menen wij dat de toepassing van deze jurisprudentie als voorbeeld kan dienen ten aanzien van de nadeelberekening in het strafrecht.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken dienen tegenwoordig veelal als uitgangspunt voor de straftoemeting. Deze richtlijnen zien op fraude in algemene zin. Daaronder zijn begrepen fraudedelicten in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. In een aantal categorieën wordt een strafindicatiegegeven gekoppeld aan een benadelingsbedrag. In deze richtlijnen wordt echter het nadeelbedrag niet specifiek gekoppeld aan het opzet van de verdachte. Wij menen dat het benadelingsbedrag echter wel beperkt zou moeten zijn tot het nadeel ‘voor zover’ het opzet van de verdachte daarop was gericht. Dit is in overeenstemming met de jurisprudentie over straftoemeting van de Belastingkamer van de Hoge Raad.

Het is dus van belang om ook in het strafrecht een koppeling te maken tussen het opzet en het nadeel voor de straftoemeting. De hoogte van de navorderingsaanslag kan ons inziens niet zonder meer als grondslag dienen.

Wat is jouw ervaring? Heb jij zaken waarin de strafrechter een koppeling maakt tussen het nadeel en het opzet voor wat betreft de nadeelberekening?

1 Comment

Plaats een reactie